Category Archives: Verslag

Field Trip: 17 februari Warcon Gent

Na 2 uur rijden besloot de gemeente Merelbeke een uiterste poging te doen om de zaal van Warcon onbereikbaar te maken. Door mij als domme Hollander niks aan te trekken van de verbodsborden bij de “werken” en door de bouwput te rijden kwamen we aan bij de hallen.

Parkeren voor de deur, een waterig zonnetje en flux naar binnen voor het opstellen van de demo. De hele dag mensen langs gehad om mee te praten, maar weinig animo om te spelen.

De onderscheidende factoren waren vloeroppervlak, licht en een bar in het midden van de zaal die goede zaken deed met koffie, Belgisch bier en belegde broodjes.

De ruimte was heel groot en dat betekende dat opstoppingen bij tafel of trader niet bestonden. Het leek soms wel dat er geen bezoekers waren omdat alles zo verdeelde.

De speltafels waren een brede verzameling van spellen met sommige systemen die ik in Nederland minder zie. Deze oversized versie bijvoorbeeld.

Er was trouwens geen gebrek aan de grotere schalen. Deze fantasy slag had veel figuren in rank and file staan die ik in Nederland als decoratie op een plank thuis aantref.

En ze waren nog mooi geschilderd ook.

Mijn favouriet was troch de pachyderm. Maar dat ligt waarschijnlijk meer aan mij.

Met deze mijnheer heb ik een tijdje staan praten. Hij heeft hele oude Atlantic figuren gebruikt en de scenery zelf gebouwd van karton.

De liefde voor het ambacht spetterde van de tafel.

En het ging er hard aan toe in de arena!

Natuurlijk ook een bonte verzameling “normale” veldslagen met standaard maat figuren.

Aan veel tafels werd ruim gepraat. Het was een relaxte atmosfeer.

En de figuren waren over het algemeen mooi geschilderd.

Deze napoleontische tafel had natuurlijk een enorme blikvanger.

Volgens mij is deze zelfs niet meer in de handel, maar de modules zijn alhoewel een beetje zwaar een prachtig centerpiece.

Trouwens de figuren mochten er ook zijn.

Alesia? Niemand weet waar Alesia ligt. Nou ja, hier.

Je moet als Romein toch wel vertrouwen in de baas hebben om je van twee kanten te laten sandwichen en te winnen.

En tijdens het opbouwen kwamen we onze collega’s van Alde Garde tegen.

En ondanks de kou in de zaal gingen ze spelen in hun T-shirt. Traditie is traditie!

Dit was een fraai voorbeeld van colonial warfare. Volgens mij ook uit Engeland trouwens.

En in die tijd was dit eigenlijk ook colonial warfare. De Engelsen in Frankrijk in de 100 jarige oorlog.

Een slag die het qua figuren en tafel goed doet, maar waar ik altijd benieuwd ben of de regels de specifieke situatie op de dag kunnen weergeven. Normaal hadden de Engelsen nooit moeten winnen.

En natuurlijk ontbrak WO 2 ook niet.

En het Wilde Westen. Ik krijg in generieke zin daar trouwens wel een beetje een overdosis van. Wilde Westen met cowboys, indianen, demonen, zombies, vampieren, aliens… Is er al een regelset voor ninja’s en tempeliers?

Daarnaast veel kleinere spellen. Warmachine, X-Wing etc.

En zoals ik al zei vorige week bij Poldercon, de trend is veel matten. Deze had de scenery heel fraai bij de mat gebased.

Saga eerste versie. Wel makkelijk mee te nemen zo.

Tanks! Ik zag veel mensen van de traders lopen met dozen, dus deze zal populair zijn.

En zowaar een command game. Zombies!

Hier heb ik lang staan dubben. bedrukt dik karton, en in elkaar te klikken.

Behalve Tabletopper stond Warlord er ook zelf.

Met de aankondiging van het nieuwe vliegtuigjes systeem.

Deze had ik echt nog nooit gezien. Mad Max meets Gaslands als boardgame.

Petra en ik vertrokken naar huis na het supporten van de lokale middenstand. Een boardgame, verf, kaarten voor Flames of War, Bolt Action Market Garden, een draak, nog meer draken en een boek over dioramabouw. We zagen er een beetje pips uit. En dat klopt want we hebben nu alle twee griep.

De verdict: Pro: vriendelijke lui,  lekker de ruimte, parkeren naast de deur, goed licht, goede mix van traders, prima bar en broodjes, relaxte atmosfeer, wat andere spellen dan gebruikelijk. Con (voor ons): 2 uur rijden, koud, en relatief weinig loslopende spelers.

Dus ga een keer kijken!

Field Trip: 11 februari Poldercon 2018 in Utrecht: Gezellige Gamesday on Steroids!

Op zondag 11 februari ging de wekker en de auto richting Utrecht. Het jaarlijkse wargame event was er weer. Op Amerikaanse leest geschoeid, dat wil zeggen opgeven en intekenen op aangeboden spellen met gegarandeerde spelplek, was het weer tijd voor Poldercon.

Ruim 40 spellen en voldoende bezoekers om een heel denksportcentrum te vullen.

Van het langzaam beginnen met spelen zoals je kent van normale wargamebeurzen is hier geen sprake. Om 0930 begon het eerste slot en zaten de meeste tafels met volle bak. De spelen boden een brede doorsnede van de hobby en werden door zowel spelers als traders bemand (zoals hier Tabletopper). Is die Arena niet van Playmobil?

Murphy’s Heroes was van de partij met Ronin, Non Startrek Space Battles, Sharpe Practice 2, Volley & Bayonet en Congo. Naast wat impressies van die tafels ook zoals gebruikelijk wat me is opgevallen. Ik heb veel gemist, want ik runde Ronin zelf en daarmee was een groot deel van de dag (en m’n stem) bezet.

In Non Startrek Space Battles gingen partijen te keer om het bezit van een kolonisten schip met geheime inhoud. Petra legde de boel uit aan onschuldige voorbijgangers, terwijl Hans de laatste duct-tape plakte.

Even zelf proefdraaien en daarna begonnen de scenario’s.

Na de briefing was het snel in actie. Plannen werden al gauw doorkruist door de rauwe werkelijkheid. Maar wat er ook gebeurde: de bierpomp en de gala uniformen van de Kapitein werden gerepareerd.

Er onstond een kluwen van schepen in gevecht. De standaarden zijn trouwens WC rol houders.

Doordat de echte die-hards weten dat het dragen van masker en handschoenen een extra energie per beurt oplevert (en rode koppen) zat de stemming er al vroeg goed in.

Beste truc van de dag: een alien die om een schip binnen te komen een snee in z’n vinger maakt en met zijn bloed een luik brandt in de wand van het ruimteschip.

Het eindgevecht aan boord van het schip was al even episch als de furball in space.

Petra en Hans hadden het er maar druk mee. Het winnende team ook! Volgend jaar de follow-up!

Patrick Congo‘de erop los.

Op mijn Ronin tafel waren warbands op zoek naar het receptenboek van een overleden kok. Drie keer volle bak.

Spelers liepen van jong naar oud. De jongeman won!

Topprestaties in het vechten, klimmen, schieten en plunderen. De dorpelingen stonden verbijsterd te kijken.

Orginaliteitsprijs: GTJ: Grand Theft Junk. (het jatten van de jonk).

De kleine kas prijs: receptenboek niet vinden maar het keukengerei van de overleden kok meenemen.

Effectiviteitsprijs: je hele warband op een na laten uitroeien en dan door een gat in de grond met een Naginata het boek spiesen en voor de ogen van je tegenstanders in de onderaardse gang, ervan door gaan.

De drie winnaars kregen een verdiend eigen receptenboek “Everybody loves Ramen” om thuis Japans te gaan eten.

Jur liet zien hoe je met Volley & Bayonet met kleine figuren grote veldslagen kunt spelen. Zijn 6mm leger was voorbeeldig.

Blijft mooi zo’n kleurrijk geheel.

Jan sleepte Sharpe’s Practice 2 mee en liet mensen skirmishen in Italie.

In ieder geval in de middellandse zee gothische stijl.

Voor de rest stond de hele zaal vol. En omdat elk slot overal gespeeld werd (tenzij de spelleider even een pauze had bedongen) was het ook heel makkelijk om spellen in actie te zien. veel bezoekers kwamen specifiek om kennis te maken met een regelset. In wilde volgorde de dingen die me opvielen.

Skaven in de wereld van Warhammer. Met een mooie gevel backdrop gaf dit een heel eigen effect aan de tafel.

Barsaman uit Storm. Vechten op op en neergaande pilaren.

Tweede Wereldoorlog met alles erop of eraan op een tafel. Deze in 47. Matten waren trouwens wel een trend.

De maximale stimulans om van jager maar landbouwer / verzamelaar te gaan worden.

De tafel voor Allo Allo, het gerucht ging dat de spelleider kousen droeg.

Een fraaie Batman tafel. Gebouwen en mat pasten prima bij elkaar en de kleuren en gebruik van licht vond ik fraai gevonden.

Evenals de bedrijfswagen van de heer Man.

JW pakte uit met een complete ruimtehaven voor Rogue Stars.

Uiteraard ook met diverse rassen om er mee te spelen.

Wisten jullie dat dit eigenlijk een duwschip is voor vrachtbakken?

Ook duidelijk zichtbaar welk gedeelte van de haven voor de budget afdeling was. De Ryan Air van 2300 zeg maar.

En je ziet waartoe een aantal jaren vlijtig sparen van speelgoed kan leiden.

Tot mijn grote genoegen waren er meerdere naval games te doen.

Voor zowel modern als WW2.

Met en zonder kustwater.

En natuurlijk ontbrak Battle Group niet.

In dit geval de slag bij Caen voor meer rupsbanden tegelijk.

Met spelleiders in bijbehorende kleding.

Maar dat kan altijd completer.

Wat ik zelf kan waarderen is dat er jongeren mee komen. Ze zijn vaak bijzonder fanatiek. Bij mij heeft er zelfs een gewonnen door op het moment supreme zijn vader af te slachten (op tafel dan).

Kleiner kan het ook altijd. In 2 mm kun je de slag bij Kadesh gewoon helemaal op tafel zetten.

En Kadesh natuurlijk ook. Swordpoint regels.

Uit de laatste trend: Zombies overal. Deze de Walking Death op een hele fraaie mat. Zoals gezegd: matten zijn een trend.

Frostgrave in de Caraiben.

Effectieve manier van borden maken: Eilanden op een (jawel) mat.

Bij deze tafel heb ik lang staan kijken. Een verbouwing van de boardgame Imperial Assault tot een minitafel.

Kleurstelling, details het was gewoon af.

Een prachtige pres(en)tatie van Ivo Blijenberg.

De bridge over the River Kwai (met small Chain of Command) had een tafel die onmiddellijk aandacht trok.

Bruggen, water en treinen doen het altijd goed.

Als je naar de werkelijke schaalbreedte van wegen en bruggen kijkt besef je pas hoe wij onze tafels meestal verkeerd bouwen met veel te veel gebouwen. Sander van May40 miniatures laat zien hoe het echt moet.

In dit geval speelde Combat Patrol en de herovering van de bruggen over de Maas in 1940.

Jasper presenteerde Chain of Command op een hele fraaie tafel.

Persoonlijk houd ik van zulke details.

En bij de Redders van Erda waren alle landschap cliché’s uit de kast getrokken. Een tafel als een stripverhaal.

Ook in de middag nog een volle bak.

Voor voertuigen was er Gaslands. Een post-apocalyptische auto demolition derby.

Bekend van vorig jaar de 80 jarige oorlog: het kasteel van Breda en het turfschip gaven wederom acte de precence.

Rob had zich uitgeleefd op een niet-Fallout tafel met Dead Man’s Hand.

En met Mantic kun je fraaie SciFi scenery maken.

Dat was het. Excuus voor alle gemiste tafels en fouten in de beschrijvingen.

Dank aan de organisatie voor de gelegenheid om als volwassen mensen een hele dag met speelgoed te spelen en het een serieuze hobby te noemen :)

En bijzondere dank aan de spelers die het neerzetten van een spel tot een dankbare gelegenheid maken! Tot Volgend Jaar!

 

Field Trip 12 februari: Poldercon 2017 Utrecht

Om 0730 op een winterse ochtend vertrokken Petra en ik naar het denksportcentrum De Hommel in Utrecht voor de 2017 editie van Poldercon. Een wargameconventie waar alles draait om het spelen van games, waarvoor je je van te voren kunt inschrijven als deelnemer. Win-win: als spelleider weet je hoeveel deelnemers en als deelnemer wordt je lekker bezig gehouden op spellen die jezelf kunt uitzoeken. Na een goed half uur in de feeerieke sneeuw arriveerden we  en begonnen samen met Hans den Dulk aan het uitladen van de demos.

Dan begin ik met de verdwenen demo: Non Startrek Space Battles. De enige demo op de tweede verdieping en de consequentie daarvan dat ik ze in geen enkele fotoreportage heb terug gezien. En dat is jammer voor de foto’s, maar ook jammer van alle bezoekers die ook niet naar de 2e zijn gegaan.

De cyberdragons op een dagje uit.

Gelukkig hadden zich wel spelers ingeschreven.

En het duurde niet lang, voor de schade hen noopte ruimtepakken te gaan dragen.

Alhoewel ik sommige spelers ervan verdenk het gewoon stoer te vinden.

In het spel ben je piloot van een ruimteschip.

En als je dan je vijand te pakken neemt, geeft dat een diepe bevrediging.

Herkent iemand hem nog?

Afijn terwijl boven met ruimteschepen werd gespeeld, was beneden het spelgeweld ook losgebarsten.

Aangezien ik zelf drie spellen runde heb ik weinig tijd gehad voor foto’s. Dus het commentaar blijft beperkt tot wat losse observaties. Alle fouten zijn van mij. De workshops heb ik helaas niet meegemaakt.

Dead Man’s hand van Rob. Als je een keer begint aan huisjes, blijf je doorgaan.

En een trein blijft toch wel leuk!

Mijn buren met een fantastisch piratenbord.

Van hot naar her springen op wrakken en rotsen.

En natuurlijk met de juiste hoofddeksels. Het gerucht gaat dat bijpassende hoofddeksels verplicht worden voor spelleiders volgend jaar.

Crossen door de woestijn?

De hele dag volle bak.

De boerenoorlog was een fraaie tafel.

Niet in het minst om de brede verzameling vuurkracht.

En de bijbehorende techniek.

De grootste tafel speelde zich af op Mars. John Carter meets Victorian Pulp.

Prachtige Space Galleons.

Een atmosfeerfabriek in verkeerde handen.

Strak optredende Royal Navy.

Een en ander leidde diverse spellen tot zwaar beschadigde infra.

Aan elkaar gekletst door JW ” Pijlie” vd Pijl, Gamemaster extraordinaire en prijswinnaar met zijn tafel.

Het deed mij goed Dropzone Commander te zien.

Samen met Dropfleet Commander gekoppeld.

En bijzonder fraaie schepen.

Ww3 Team Yankee in 15mm.

Met 1st Guards Tank Regiment klaar voor de strijd.

Schepen, schepen doen het altijd mooi!

En er waren ook fraaie staaltjes van matten te zien. De keus hiervan maakt een mooie aankleding voor bijna elke beurs bereikbaar.

Daar stond ik dan met From Dusk Till Dawn. Verscheidene spelers kwamen wat aarzelend dichterbij: is dit het nou?

Na de SimSalaBim stond er dit.

De Exploding Inn deed het goed, en loste voor aardig wat bezoekers het 3D gebouwen probleem op.

De verbazing sloeg alom toe en er zijn heel wat bloederige gevechten gevoerd tussen het meubilair.

Trouwens, de Fez deed het ook goed.

Door het in de herberg in 3D spelen kreeg het spel letterlijk een heel andere dimensie.

Zeker als eerst de kelders opengingen op de plaat en later de ondergrondse kerk erbij kwam.

Cultisten met en zonder pij leidden de weg naar verlichting.

En vergroening als je Cthulhu mag geloven.

Een van de party’s bekeerde zich geheel tot de Elder God en is de kerk niet meer uitgekomen.

Anderen ontsnapten van de Frying Pan into the Fire.

Een Romeinse edelman wordt overvallen.

Maar ook monsters jagen in een dorp.

Waaraan ook een bekende Murph deelnam.

De prima lunch werd beneden geserveerd.

Waar je trouwens ook wat kon gaan drinken tussen de spellen door.

The Chicago Way was ook een fraaie blikvanger. Het kleed is van TinyWargames. Vanaf volgende maand beginnen we in Delft ook een campagne.

Corrupte politie (zij spreken liever over pragmatisch).

Koelbloedige gangsters (zij denken eerder aan zakenlui)

En natuurlijk een Damselle in Distress onder het toeziend oog van de Untouchables.

Ivo heeft het aankleden van bordspellen tot een kunst verheven.

In dit geval Star Wars Imperial Assault.

Fraai gedaan en een genot om mee te spelen. Gelukkig is het terrein afwasbaar.

En ook voor kleinbehuisden prima te doen.

Chrome Warriors op een tafel zoals het hoort.

Fantastische tafel met een geloofwaardige samenspel van gebouwen.

Deed me denken aan het computerspel ShadowRun.

Met een creatief gebruik van dobbelsteendoosjes.

Collision is een post Apocalyptisch spel.

Behalve deze speltafel (moest aan Fallout denken),

Hadden ze ook een display tafel mee.

Hier heb ik wel even staan kijken.

Fraaie hoeken en scenes.

Aangezien Ed verslingerd is geraakt aan Fire and Sword, moest hij daarmee ook wel naar Poldercon.

Een mooie kans voor mensen om het eens te proberen.

Jan was met zijn I Ain’t Been Shot Mum demonstratie meegekomen.

De tafel was meteen verzamelpunt van de Murphen. Niet heel herkenbaar want we waren allemaal onze banner vergeten.

Jan had het er maar druk mee.

Er was letterlijk alles te doen: van oudheid met Romeinen en aanverwante artikelen.

Tot aan SciFi met Star Wars Armada.

En deze kleurrijke tafel was de Gates of Antares, het nieuwe SciFi systeem van Warlord.

Maar Blake’s 7 bleek ook van de partij!

Ook Rapid Fire was present op een geheel Nederlandse tafel.

Guildball wordt best veel gespeeld en was ook hier van de partij. Bloodbowl on steroids.

Tussendoor nog even wat blisters aangeschaft voor Frostgrave van Petra.

Aan het einde van de dag won ik nog de prijs voor de meest innovatieve game. Dat was een leuke verrassing!

Alle spelers bedankt!

En de organisatie bedankt en tot volgend jaar.

Peter en Petra

 

Field Trip: Antwerpen, Crisis 5 november 2016

De hele wereld probeerde ons tegen te houden. Kruispunt dicht, twee bruggen eruit, najaarsstorm voorspeld, wekker veel te vroeg, maar toch togen we naar Antwerpen voor de gebruikelijke doses aankoop, spel, gebep en hamburgers. Voor de niet BoB’s natuurlijk Belgisch Bier. Aangekomen bij de zaal een positieve verrassing, want het moddergat waar je kunt parkeren was uitgebreid tot een keurige parkeerplaats. Op 40 meter van de ingang een prima spot. De rij stond al voor de deur. Gerard had gekampeerd en was als een van de eerste binnen. Spot the Gerard!

img_1155

Binnen werden we na het betalen en ontvangen van de Goodie Bag verwelkomt door de orde dienst. Ze discrimineren niet en profileren iedereen etnisch als DNA enhanced vs niet DNA enhanced.

img_1272

Natuurlijk was de demoploeg al vanaf 0800 bezig met opbouwen van de tafels. Voor ons deze keer drie tafels, waar we natuurlijk als snel gingen kijken. Aangezien twee demo’s pal naast elkaar stonden, werd dat de natuurlijke HQ en ontmoetingsplek voor alle Murphen, aanhang en eventuele gevolg. Een voor een druppelde de Murphen met en zonder ontbijt binnen.

img_1167

Voordeel van twee demo’s is bovendien de beschikbaarheid van stoelen, dus uitrusten kon ook, dat kwam later op de dag goed van pas:

img_1471

Rick had al een paar weken gebouwd aan zijn Iwo Jima demo en showde met terechte trots het resultaat.

img_1198

Het eiland zat stikvol details en trok dan ook flink veel belangstelling van wargamers en modelbouwers tegelijk.

img_1169

Het dorp met het Japanse HQ was uiteraard voorzien van een visserswijk.

img_1158

Ondanks de invasie moet er natuurlijk wel eten worden gevangen.

img_1180

Op de startbaan werd flink gewerkt door olifanten en bulldozer om de boel glad en gatenvrij te houden.

img_1213

De gecamoufleerde vliegtuigen stonden opgesteld voor directe inzet.

img_1205

De piloten in slaap in de barakken.

img_1218

Nadat de invasie in alle vroegte was begonnen, landden de eerste wave infanterie en werden de tanks in de tweede wave aangevoerd naar het steenstrand.

img_1188

De verdedigers haastten zich naar hun stellingen: op de fiets!

img_1210

Al snel was de slag in volle gang.

img_1480

De Japanse propaganda joeg het fiets peloton op tot ongekende prestaties, met enige welgekozen one-liners.

crisis-029

Vanuit de tweede wave zag het strand er een stuk minder aanlokkend uit.

img_1177

De langskomende kinderen speelden vindt de beestjes. (4 olifanten, 1 paard, kippen,  eendenvijver en de reiger.)

img_8605

Op de tafel ernaast gingen Dick, Derk en Jan naar Afghanistan. Fighting Season!

img_1195

Mirjam liet goed zien dat equal gender opportunity fire hard kan aankomen.

img_8655

In het dorp moesten de Nederlandse patrouilles op zoek naar de contraband.

img_1193

Ondersteund door hun voertuigen. Dit zijn overigens bouwdozen van karton!

img_1191

Ook hier de hele dag aanloop en spelplezier. En jong beginnen!

crisis-058

Ed stond in de andere zaal met Fire & Sword.

img_1340

Dit spelsysteem heeft in korte tijd veel aanhangers gekregen. De figuren zijn mooi, de regels vernieuwend en het systeem is goed schaalbaar van een skirmish naar een grote slag.

img_1330

Hier werden natuurlijk de dozen figuren opengetrokken.

img_1333

Uiteindelijk was er een winnaar.

crisis-067

En de mascotte waakte over de reserves.

img_8689

En toen begon de grote zwerftocht door Crisis 2016. Wat viel ons op? Zoals elke keer een zware subjectieve bias naar speltafels, en vooraf de disclaimer dat als je er niet bij staat, dat we je dan gewoon gemist hebben :)

7TV is een RPG regelset. maar ze doen ook fantastische miniaturen uit alle bekende films en TV series van de 70’s en daarna. Elke keer neem je er toch een paar mee.

img_1222

Deze Zen meneer bereidde zich voor op een zware 40k strijd.

img_1230

Er was een hoop te zien en er wordt ook duidelijk waarom zware tanks het moeilijk hebben in steden.

img_1234

In Engeland heb je jaarlijks Running the Guns waarin teams een kanon over een hindernisbaan moeten sjouwen en aan het eind een schot moeten lossen. Het Amerikaanse leger deed dat vroeger met het uit elkaar en in elkaar sleutelen van jeeps.

img_1236

Het parcour kent muren om overheen te klimmen.

img_1240

Abseil touwen om met een kanonwiel op je schouder te nemen en nog veel meer. Bikkels in het echt en als spel nog niet makkelijk!

img_1241

4 Ground timmert flink aan de weg met gebouwen voor nieuwe spelsystemen. Net nieuw dit warenhuis voor The Chicago Way.

img_1245

Daar bouw je trouwens al een aardige wijk van, van die serie gebouwen.

img_1247

En met wat aankleding schieten gangsters en untouchables het prima uit.

img_1250

Voor aanhangers van het wilde westen natuurlijk ook de western gebouwen. Nou je het zegt: voor 1930 heb ik nog geen bordeel gezien. Wel voor het Wilde Westen. Idee?

img_8788

Dit fantasy bord was niet alleen fraai gemaakt maar ook keurig afgewerkt.

img_1254

Mooie spelmaterialen trouwens. En pachyderms, mijn persoonlijke zwakheid bij wargaming.

img_1259

Er werd aan diverse tafels en bij diverse handelaren veel aandacht besteed aan Congo, de nieuwe skirmish regels van de makers van Muskets en Tomahawks.

img_1264

Fraaie tafels en figuren. Zeker een aanrader om eens te kijken bij de figuur sets van Foundry. De tafel liet trouwens nog een trend zien. Er waren veel tafels met een kleurenprint op PVC van landschap.

img_1266

Zoals deze Romeinse tegen Britse tafel bijvoorbeeld. Met het nieuwe SAGA supplement! Ziet er goed uit en makkelijk op te rollen (de tafel dan, niet het supplement, dat is hardcover.).

img_1274

Shellhole Scenics met hun Mexican Revolutionary ranges lieten hun 20 mm figuren en fastplay regelset ‘The Boys are Playful’  zien op deze tafel, waarbij het slopen van een muur op heel creatieve wijze gebeurde.

img_1277

Door de beschikbaarheid van lasercut bouwdozen voor huizen en tafeltegels ontstaan er veel tafels met keurig onderhouden wijken voor 28mm oorlogvoering. Eigenlijk een soort icoon van een echte wijk.

img_1284

En dan loop je tegen dit aan. Een zwevend kasteel met eilandjes eronder voor Malifaux Puppet Wars.

img_1295

Uiteraard Halloween gethemed.

img_8659

Met serieuze pompoenen en vreemde flora.

img_1297

Een van de mooiste tafels was voor mij die van Spectre. Zij maken figuren voor moderne skirmish en hadden een stukje midden oosten nagebouwd.

img_1299

De details op de huizen en in de straten waren fenomenaal. Vuilniszakken aan de stoep.

img_1302

Tot alle electriciteit en schotel TV draden toe.

img_8664

Het enige wat ik miste was zwerfvuil. Of zijn ze daar netter dan wij?

img_1307

May 40 miniatures verkocht de eerste productieserie van Nederlanders 1940 in 28mm. De aanwezigheid van een Nederlandse soldaat in bijpassende outfit trok in ieder geval aandacht!

img_1312

De Alde Garde hadden weer een van hun grote aangeklede tafels. Zij hebben een onuitputtelijke collectie scenery uit de middeleeuwen en de renaissance.

img_1313

En een voorkeur voor grote troep bewegingen met veel kleurrijke vlaggen.

img_1316

De Dortmunder Amateur Wargamers hebben meestal wel wat moois. Hun banner is in elk geval herkenbaar.

img_1346

Deze keer een tafel met Amfibische oorlogvoering in de Pacific.

img_1348

Een Japanse aanval op een Amerikaanse resupply basis voor MTB.

img_1350

Trip down memory lane! Deze tafel bestond geheel uit houten gebouwen zoals die in mijn jeugd te koop waren. Als je ouders tenminste wat geld hadden.

img_1357

Met kleurrijke harde en zacht plastic figuren in 90 mm denk ik.

img_1363

Ik had vroeger een vriendje die ze had.

img_1367

Inclusief dit ford. Man wat was ik jaloers :)

img_1369

En hier hadden ze nog een trein ook!

img_8705

Nog een Amfibische tafel. Hier vond ik het effect van de barrage op de bomen en het water aan de kust briljant gedaan.

img_1374

Ludwig gaat stug door met zijn 20mm project Arnhem.

img_1379

Hij maakt de gebouwen zelf naar foto’s uit die tijd. Dit is een deel van de tafel. Volgens mij nadert hij de 15 m inmiddels.

img_8718

Je hebt natuurlijk geen gebouwen nodig voor terrein. In dit geval echter wel heel veel Zulu’s ter compensatie.

img_1382

En wie zegt dat alleen voetbal oorlog is? Bij dit spel gaat het in het wielren peloton ook hard tegen hard.

img_1385

Deze was voor Frostgrave. Los van de tafel een goed voorbeeld van hoe loopbruggen in het landschap passen.

img_1388

Ook grappig om te zien hoe twee mensen omgaan met hetzelfde gegeven. Hier de aanval om Pegasus Bridge.

img_1391

En hier de andere. Ik ben benieuwd wat de echte kleuren waren van de brug.

img_8652

Deze sprong eruit vanwege de fraaie combinatie van terrein, scenery en figuren. De boel paste gewoon.

img_1398

Hier trouwens ook. Het voordeel van fantasy is dat je ook wat kunt met de maat van de figuren.

img_1400

De grootste figuren hier waren toch al gauw 20 cm. Een hele hijs voor een 28mm soldaat.

img_1406

Deze tafel was zo gebouwd dat je de neiging had erin te stappen.

img_1410

Een Romeinse colonne beweegt door een vallei en lopen in een hinderlaag.

img_1415

Door het effect van de tafel kun je foto’s maken zonder de omgeving te zien. dat geeft een soort kijkdoos effect.

img_1414

Voor de terugtocht waren de Romeinen trouwens al een fort aan het bouwen.

img_8759

Fantasy en WW2 gaan ook prima samen. Hier verdedigen Duitse Dwergen de basis van een aanval van commando’s.

img_1418

Orc commando’s welteverstaan. En volgens mij is er olie geloosd.

img_1420

Deze sprong er ook uit. De gangen en kamers van een Frans Fort in WW1. Op deze foto een gang die aan de oppervlakte komt met een geschutstoren.

img_1427

Hier het stuk onder de grond dat eindigt in de woon en magazijn ruimte.

img_1429

Je kreeg goed het ruimtelijk inzicht van het fort onder de grond mee.

img_1433

En de bunkers en de figuren waren bovendien fraai gemaakt.

img_1437

Tot de slaapzalen en de keuken toe.

img_1441

Soms is eenvoud spectaculair genoeg. Sneeuwtafels doen het altijd.

img_1443

Hetzelfde principe geldt natuurlijk in de woestijn. En als je er een iconisch fort en een schip bij doet is een aantrekkelijke tafel het resultaat.

img_1455

Dan een bevlogen spelleider en je wint zomaar Best Participation Game (TFL).

img_1460

Hier was de tafel meer een landkaart. Maar ze hadden wel een monitor!

img_8640

En hier vielen vooral de fraaie figuren op. Inclusief de uitgebreide logistieke trein.

img_8647

Alhoewel ik de kleine schaal SciFi tafels heb gemist, wordt het aanbod van gebouwen voor een aangeklede stad inmiddels steeds groter. Voor 6 en 10mm uitstekende manier om een stadse tafel te bouwen.

img_8713

Deze verkoper miste desgevraagd hun puppy zo, dat ze een pluche versie hadden meegenomen. helaas voor Petra was hij niet te koop.

img_8766

Andere trend: fotodozen waarin je je miniaturen in een landschapje kunt zetten ter fotografie.

img_8769

En oppoppende draken schijnen ook in de mode te zijn!

img_8772

Aan het einde van de dag konden we gelukkig even uitrusten bij de demo’s.

crisis-061

En na sluitingstijd spatte de club uiteen in voorkeuren voor diverse restaurants.

crisis-069

Een geslaagde dag! Bedankt vrienden van de Tin Soldiers of Antwerp. Excuus voor alles wat we niet hebben gezien. Zoals gezegd een volledig subjectief verslag.

Tot volgende week!

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (9): Complot in het Circus”

14 maart 4476 Witte Tempeltijd (avond)

Zoals de trouwe lezers onder jullie zich zullen herinneren hadden de reisgenoten net een avontuur in het pakhuis van de gebroeders Melkor achter de rug en waren onderweg naar een welverdiende nachtrust toen de panda monnik Grasshopper en de halfling Lavinia Wolfheart er als een haas vandoor gingen, de stad uit. Lavinia vertrouwde weliswaar de kleine wolf pup nog gauw even toe aan de staljongen voordat ze vertrok, maar haar haast was er niet minder om. De jonge Zheng Li had hen immers verteld dat er dieren in nood waren en er was geen tijd te verliezen. De rest kon niet anders dan hen volgen.

img_0283

Ludwig stopte nog even bij de stal van de ezelhandelaar om wat spullen in bewaring te geven en merkte op dat een ondernemende jonge halfork een blokhut had gebouwd naast de stallen. Volgens de hanenpoten met gebrekkige spelling op het bord naast de blokhut bood hij aan om spullen op te slaan in de hut tegen betaling. Zo te zien mankeerde er ook het een en ander aan zijn rekenkundige vaardigheden maar dat mocht de pret niet drukken.
Veel tijd om hier over na te denken had de jonge edelman niet maar gelukkig kon hij zijn vrienden zonder alle onnodige bagage makkelijk inhalen. En zo ging het gezelschap in volle vaart de Zuidpoort uit.
Daar kwam net de vermoeide Guldan aangelopen met de hond Max aan zijn zijde.

Samen hadden ze het spoor van Max terug gevolgd naar waar hij vandaan kwam. Of, nou ja, voor zover mogelijk. Het bleek dat de streek rond de rivier in de buurt van het klooster nogal onrustig was. De veerman had geweigerd hen over te zetten in de avonduren en ook in de herberg waar hij overnachtte heerste een sfeer van angst. Aan de overkant van de rivier was het gevaarlijk, zo vertelde men, er verdwenen mensen. Een handelaar met zijn knecht, die ook in de herberg verbleven, gedroegen zich nogal verdacht. Ook Max vertrouwde het stel voor geen meter. En terecht zo bleek de volgende dag. Eenmaal aan de overkant werden Guldan en Max aangevallen door een drietal ongure lieden. Het dappere tweetal wist de schurken op de vlucht te jagen maar later zagen ze hen in gezelschap van de handelaar.
Met grotere voorzichtigheid ging de zoektocht verder. Guldan ontdekte dat de sporen van Max voor het eerst opdoken vlakbij een stevig luik in een rots. Dit luik was van buiten niet te openen; er zat geen handgreep en ook geen zichtbaar slot op. Vanaf de rots liepen drie sporen naar een open plek. Een spoor was van Max, maar wel dieper dan gebruikelijk alsof hij iets op zijn rug droeg. Twee andere sporen waren van kleine mensachtige wezens.
De sporen kwamen uit op een open plek, waar grote mensachtigen en hun paarden langere tijd gewacht hadden. Hier was een gevecht geweest tussen Max en de berijders van de paarden terwijl de twee kleine wezens, nu vergezeld door een derde kleine mensachtige, haastig waren weggerend richting het oosten.
Er was een bebloed lichaam weggesleept van de open plek en er lag nog een helm. Guldan herkende de helm als zijnde van de soldaten van Khemme, een land wat al heel lang in oorlog was met het land waar de avonturiers zich bevonden. De helm was, op een grote deuk na, vrijwel nieuw.
De lieden die Max en zijn metgezellen hadden opgewacht hadden hem achtervolgd toen hij, bij wijze van afleidingsmanoeuvre, richting de rivier was gerend. Te paard hadden zij hem ingehaald en er was opnieuw gevochten. Uiteindelijk was Max dan in de rivier gesprongen.
Vervolgens volgde Guldan het spoor van de drie kleine wezens. Deze hadden zich een tijdje verborgen in een dicht struikgewas alvorens te vertrekken richting het oosten. Daar op de weg die uiteindelijk uitkomt bij het grote onderaardse klooster van Themesta, alwaar de nonnen wonen die de aardegodin dienen, raakte Max het spoor kwijt. Guldan besloot naar huis te gaan.
Die nacht werd hij door Max gewekt. Samen slopen ze naar de rand van de weg en ontwaarden daar een vijftal ruiters die weliswaar geen uniform droegen maar zich verder gedroegen als getrainde en gedisciplineerde soldaten. De maan was fel en de hemel helder en ze konden alles prima zien.
Plotseling kwamen er een paar onguur uitziend types het bos aan de overkant uitgelopen. De ruiters hielden hun paarden in, wisselden een aantal woorden met de ongure lieden en vertrokken toen weer in de richting vanwaar ze gekomen waren.
Hierover had Guldan zijn vrienden reeds per brief ingelicht.

img_0299

En nu was hij na een vermoeiende reis op weg naar zijn bed in de stad Tuangith. Maar zo te zien was hem nog geen rust gegund. Met een diepe zucht draaide hij zich om en rende achter Ludwig, Saruman en zijn kever en de dwerg Sigurd aan.
Het festival terrein lag even ten zuiden van de Zuidpoort van Tuangith. Het was een gebied dat van oorsprong voor een groot gedeelte omheind was met een manshoge muur. Maar in de loop van de tijd was hier en daar de muur ingestort.
Lavinia en Grasshopper renden door de meest noordelijke poort het terrein op waar allerlei lieden bezig waren met het opzetten van tenten en het inrichten van semi permanente kraampjes in voorbereiding van het grote feest dat de volgende ochtend zou beginnen. Enkele lantaarns verlichtten het pleintje in het midden waar bij het standbeeld van een luit spelende troubadour een bekende figuur zat.
Het was de eigenaar van de kroeg in het riool, Kyrian Celerath, die merkwaardige in grijstinten geklede man die zo eigenaardig veel tanden leek te hebben. Hij was bezig iets te snijden uit een blokje hout. Op zich was het vreemd dat hij hier zat want de reisgenoten waren eerder dan hij uit de stad vertrokken en hij had een langere weg moeten afleggen om hier te komen.
Lavinia had weinig tijd voor de man.
“Waar zijn de dieren?” beet ze hem toe.
“Welke dieren bedoel je?” zei de man onverstoord.
“Die van het circus! Kunobertus de Rode! Waar is ‘ie?”
“Kunobertus heeft toch geen dieren,” antwoordde Kyrian. “Hij is illusionist. Dat maakt zijn voorstellingen altijd zo fantastisch. Een paard springt in de lucht, krijgt vleugels, vliegt een rondje of twee en verandert als hij landt in een eenhoorn. Geen levende dieren nodig.”
“Waar. Is. Het. Circus!!!” schreeuwde de anders zo kalme Lavinia.
“Waar het altijd staat, neem ik aan,” sprak de grijze man op rustige toon, “Ik ben er nog niet geweest vandaag. Voorbij het oude theater en het druiden bos aan de andere kant van het terrein.”
Zonder ook maar een dankjewel ( hoewel de panda een vluchtige buiging maakte in het voorbijgaan) renden de twee weer weg.
Ietsje later kwam de rest aan. Ook zij stopten even bij de man bij het standbeeld.
“Hoe komt U hier zo snel?” vroeg Ludwig hem.
“Och, er zijn altijd snellere routes, als je weet waar je moet zoeken.”
“Wat doet U hier, als ik vragen mag?” vroeg Saruman.
“Ik wacht op iemand,” zei Kyrian. Hij wilde echter niet zeggen op wie.
“Heeft U gezien waar onze vrienden naartoe zijn?”, vroeg Sigurd.
De man legde uit waar het circus stond en voegde eraan toe dat het hem verbaasde dat de halfling en de panda monnik dachten dat Kunobertus dieren gevangen hield. Als illusionist had hij die niet nodig. Maar misschien was het een poging om zijn verlies van het jaar daarvoor goed te maken. Toen was bij de laatste voorstelling van het seizoen de bliksem ingeslagen in de tent met als gevolg een dode en zestien gewonden voordat het vuur geblust kon worden. Dat had hem toen veel geld gekost. De tent was in vlammen opgegaan en hij moest op de pof een nieuwe tent kopen bij de gebroeders Melkor. Voorwaar een dure grap.
De reisgenoten bedankten hem en holden in de aangewezen richting, voorbij het druiden bos waar de muur grotendeels was afgebrokkeld.
Ondertussen waren de halfling en de panda aangekomen bij het oude theater. Dit theater was aangelegd in een natuurlijke kom in de grond. Helemaal onderaan had zich een grote hoeveelheid water verzameld in de loop van de eeuwen, zodat er een klein meertje was rondom het podium. De panda stak er zijn staf in en constateerde dat het waterpeil vrij hoog was. Misschien dat hij er nog rechtop kon staan maar Lavinia zeker niet. Een aantal slaperige eendjes dobberden in het water

Via de zitplaatsen klommen de twee naar een van de twee gebouwen aan de zijkant van het podium. Wellicht konden ze via het theater naar het terrein erachter. Op de deur van het gebouwtje hing echter een briefje: “Betreden op eigen risico. Instortingsgevaar.”
Links en rechts van het theater stond een muur, die een kop groter was dan Grasshopper.
Het leek onze helden niet verstandig om het gebouwtje in te gaan en die mening werd gedeeld door de overige leden van de groep die inmiddels waren aangekomen.
Een voor een klommen ze over de muur waarbij de kleinere avonturiers, – en de hond Max-, met behulp van touwen en pure kracht aan de andere kant terecht kwamen.
Achter het theater stonden een groot aantal tenten van verschillend formaat en een grote tent in het midden. Er stonden ook een aantal wagen met merkwaardige kooien aan de zijkant. In de kooien bevond zich een soort melkwitte wolken, maar het was niet duidelijk wat er nog verder in zat.
Hier rende Lavinia als eerste naartoe. Eenmaal dichterbij gekomen was nog net te zien dat er in de eerste kooi een soort hert stond. Of stond, het beest had duidelijk te weinig ruimte en moest of op zijn knieen liggen of zijn kop omlaag houden. Het gewei was te hoog om gewoon te staan.
Saruman onderzocht de kooi op magie. De kooi zelf was magisch, zo verklaarde hij, dat wat er in zat niet. Het hert kon dus geen illusie zijn.
Zowel Lavinia als Max roken dat het dier niet in orde was. Het was gewond en de wond was gaan stinken. Dat kon ook niet anders want het stro in de kooi was oud en ranzig en al heel lang niet meer vervangen.
De reisgenoten zochten wanhopig naar een manier om de kooi te openen maar er zat geen slot, althans geen slot dat Lavinia met haar vingervlugge handen kon openmaken. En naast de kooi met het hert stonden er nog een flink aantal anderen. Allemaal met verwaarloosde en zieke dieren.

img_8299

Ergens moest toch een sleutel zijn?
Haastig rende Lavinia een van de grotere tenten in. Daar verraste ze een kleine gnoom die gekleed was in de gewaden van een tovenaar.
“Ben jij Kunobertus?” riep ze.
“Nee, en ik ben ook niet bij hem in dienst. Althans, niet meer. Ik heb net mijn ontslagbrief neergelegd,” antwoordde de gnoom. “Ik kan dit niet langer aanzien, en het maakt me niet meer uit wat hij met mij doet.”
“De sleutel van de kooien, heb je die?”

img_8298

De gnoom antwoordde van niet. Kunobertus had de sleutel en waar hij precies was wist hij niet. Waarschijnlijk in de grote tent.
Lavinia stormde weer naar buiten.
Voor de grote tent stonden twee bewapende mannen.
“Waar is Kunobertus!” en “Laat me erin!” , schreeuwde de kleine halfling. Ze kwam niet veel verder dan tot hun middel en toch slaagde ze erin om de twee een stap achteruit te laten doen.
“Dat kunnen wij niet toestaan. Het circus is nog niet open en de baas heeft ons verboden vreemden toe te laten tot de tent.”
Daar trok Lavinia zich niets van aan. Briesend dook ze tussen de twee mannen door en glipte zo de tent in. Ze probeerden haar nog tegen te houden maar ze was hen te snel af. Tierend volgden ze haar naar binnen.
De overige leden van onze groep dappere avonturiers aarzelden even voor ze ook naar binnen gingen. Vooral Ludwig vroeg zich af of ze het wel konden maken om zomaar zonder toestemming de circus tent te betreden. Het gedrag van Lavinia kwam hem wel heel brutaal over. Desondanks besloten ze achter de halfling aan te gaan.

img_0286

Binnen had Lavinia nogmaals een heftige woordenwisseling met de twee wachters. Ze eiste op hoge toon dat ze haar vertelden waar Kunobertus was. En plots, zomaar, stak ze een van hen neer. Dat zou met de ander ook gebeuren als hij geen antwoord gaf, zo zei ze.
De tweede wachter trok wit weg en herhaalde verschillende malen dat hij niet kon en mocht vertellen waar de baas zich bevond. Lavinia nam hier geen genoegen mee.
“Je kunt me niet dwingen, ” riep de wachter, “De baas heeft het verboden!”
En daarop trok de wachter zijn dolk en sneed zijn eigen keel door.
Geschokt keken de reisgenoten elkaar aan. Als de baas deze man zoveel angst aanjoeg dat hij liever zelfmoord pleegde dan te vertellen waar deze Kunobertus zich ophield, dan moest het wel een zeer wreed persoon zijn.

img_0293

De circus tent was echter niet leeg. Te midden van de nogal slordig neergezette stoeltjes stonden nog vier mannen met een verscheidenheid aan wapens. Dreigend kwamen zij naar onze helden toe. Dezen konden niet anders dan zichzelf verdedigen en al gauw was het zand in de tent rood van het bloed.
Maar Kunobertus was nog steeds nergens te vinden.
Guldan keek eens goed naar de hond Max. Elke haar op de rug van de hond stond recht overeind en hij keek strak naar een bepaalde plek op de grond. Het beest gromde zachtjes.
Daar beneden moest iets zijn.
Na enig zoekwerk werd een stenen luik gevonden. Het slot erop was niet eens zo moeilijk maar toch had Lavinia het geduld er niet voor. Ze pakte haar altijd scherpe dolk en sneed het luik los. Dat maakte het echter alleen maar moeilijker om het luik op te tillen, zo zonder scharnieren. Met gezamenlijke inspanning lukte het dan toch en er werd een gang naar beneden gevonden met een metalen ladder.
Aangezien honden nu eenmaal niet zo goed trap kunnen lopen bleef Max boven de wacht houden terwijl de rest de duisternis in klom. Ze kwamen terecht in een donkere ruimte met een enkeldiepe ( voor gemiddelde wezens dan, he) laag water op de bodem.

img_8302

Na amper twee stappen te hebben gedaan werd de duisternis nog duisterder.
Lavinia zette haar blauwe brilletje op en zag helemaal niets. Sigurd de dwerg, die onder de grond toch altijd nog wat zag, zag eveneens geen hand voor ogen. Net zomin als de panda die toch ook normaal gesproken best wat kon zien in het donker. De lantaarn van Guldan, het lampje van Ludwig, een spreuk die licht moest veroorzaken, het had allemaal geen enkel effect.
Het was donker en het bleef donker.
Zelfs de kever was in opperste verwarring. Dit had het arme beest nog nooit meegemaakt.
Dan maar voetje voor voetje door het water. Ludwig had nog het briljante idee om een touw vast te binden rond zijn middel, dan zou hij achterblijven bij de weg omhoog en konden de anderen de ruimte verkennen zonder hopeloos te verdwalen. Saruman en de arme kever, die een grote hekel had aan water, bleven bij hem.
Lavinia ging voorop en stuitte al gauw op een traliehek. Het hek was op slot maar in het pikkedonker was niet goed te ontdekken waar dat slot dan was. Dan maar een gat snijden in de tralies. In eerste instantie deed ze dat op halfling hoogte waarop de panda monnik die haar volgde prompt zijn hoofd stootte. Op zijn dringend en gefluisterd verzoek keerde ze terug op haar schreden en werd door hem opgetild om het gat te vergroten zodat ook degenen die langer waren dan vijfenzeventig centimeter ( iedereen dus) zonder problemen erdoorheen kon.

img_0346

Lavinia’s scherpe zintuigen namen langzamerhand de geur van een reptiel waar. Was het de python die uit het pakhuis ontsnapt was? Erg groot kon het beest niet zijn, maar toch…
Ergens in een hoek van het donkere gangenstelsel klonk geluid. Bij gebrek aan betere aanwijzingen gingen de avonturiers daar maar naar toe.
Puur op de tast vonden ze een kamer waarbinnen iemand sprak in een taal die ze niet direct herkenden. En zo kwamen ze bij een metalen deur. Achter die deur moest het zijn. Opnieuw deed Lavinia geen enkele poging om de deur op een normale manier te openen. Nu was het ook nog steeds intens donker, en om een slot open te peuteren heb je toch tenminste wat licht nodig.
En dus stak ze haar dolk maar weer in het metaal. Een onzichtbare, maar wel zeer voelbare vonk sprong uit de deur en trof niet alleen Lavinia maar ook degenen die vlak naast haar stonden. En nog een vonk, en nog een.
He, werd het nou lichter?
Ja, inderdaad. De onnatuurlijke duisternis week en verderop werden Saruman en Ludwig bijna verblind door het plotselinge licht van de lamp. Ze aarzelden geen moment en renden naar hun kameraden.
Net op tijd om de deur te zien openen en een woeste halfling naar binnen te zien stormen. Op de voet gevolgd door een enigszins bezorgde dwerg. Deze bleef overigens vrijwel meteen weer staan. Een groot deel van de kamer werd namelijk geblokkeerd door een krokodil met wijd opengesperde bek.
In een hoek van de kamer stond een in fel rode gewaden geklede figuur. Dit moest Kunobertus de Rode zijn! Een kwaadaardige grijns verscheen op zijn gezicht terwijl hij aan een ring draaide die hij om zijn vinger droeg. Magische projectielen schoten uit de ring richting de helden. Het gevecht begon.
De beperkte ruimte en het feit dat niet iedereen tegelijk door de deur paste, leverden wat problemen op met manoeuvreren. Bovendien lag de krokodil akelig in de weg. En waarom rook deze ruimte ineens naar gebakken brood? En zwavel en pepermunt?

img_0328

Lavinia kreeg het idee dat de krokodil niet van harte meedeed aan het gevecht. Het merkwaardige was ook dat ze niet een keer mens (Kunobertus) en een keer reptiel ( de krokodil) rook maar twee keer reptiel. Hier klopte iets niet.
Ze probeerde contact te leggen met de krokodil en merkte dat de geest van het beest niet geheel de zijne was. Of beter gezegd, de hare, want het was een vrouwtje. Angst, woede en verwarring regeerden in de geest van de krokodil. En misschien in de verte, het idee dat deze vorm niet de hare was.
Guldan de dienaar van de Vierde Broeder had op zijn reizen een paar nieuwe spreuken geleerd. Hij probeerde er vol trots een uit. Deze spreuk moest er voorzorgen dat de tovenaar Kunobertus niet meer zou bewegen. Maar op de een of andere manier werkte hij niet. Het was alsof de spreuk ergens door afgekaatst werd.
Desondanks slaagden de helden erin om Kunobertus een paar flinke klappen re bezorgen, onder andere omdat het Sigurd lukte om over de krokodil heen te klimmen buiten bereik van de vervaarlijke kaken van het dier.
De tovenaar zag ook zelf in dat het de verkeerde kant uitging en greep een amulet dat om zijn hals hing.
Een flits.
En daarop een leegte waar de rode tovenaar had gestaan. Alleen de krokodil bleef, bloedend en wel, over. Lavinia probeerde de krokodil te kalmeren en al gauw verscheen er het beeld van een kistje in haar hoofd. Met in het kistje een steen. Het beest scheen te denken dat het belangrijk was.
De kleine kamer werd onderzocht en inderdaad vond men een klein houten kistje. In het kistje lag een barnsteen en in die barnsteen zat iets.
Het was een piepklein groen figuurtje. Maar wat ze daarmee moesten?
De krokodil raakte de steen aan met haar snuit en vreemd genoeg roken de vrienden daarop de geur van citroenen. (Waar kwam dat toch vandaan? Tijdens het gevecht hadden ze ook al rare dingen geroken; gebakken brood, zwavel, pepermunt en nu dus citroen. Merkwaardig.)
Misschien konden ze de steen openbreken? De krokodil leek dat een prima idee te vinden. Heel voorzichtig pelde de halfling laagje voor laagje van de steen totdat met een kleine tik van een hamertje dat Sigurd toevallig bij zich had in zijn kistje met reparatie werktuigen de steen opensprong.
De krokodil verdween. En daar stond in haar plaats een vreemd uitziend wezen. Het was duidelijk nog steeds een soort reptiel maar dan met mensachtige vormen en een lichtgele tuniek.
Ze probeerden met haar te praten maar het enige resultaat was een steeds intenser wordende lucht van citroenen.
Alleen Lavinia hoorde een zeer hoge stem die maar bleef herhalen: ” Dank je! Dank je! Dank je!”
Niemand anders hoorde dat.

img_8324

Grasshopper had inmiddels de rest van de kastjes doorzocht en nog zo’n steen gevonden. In deze zat een blauwe gedaante. Nadat ook deze gepeld en gekraakt was verscheen een lange, magere magier in een blauw gewaad.
Hij stelde zich voor als Rudolphus, een assistent van Kunobertus. Lavinia trok al meteen haar dolk. Ze werd tegengehouden door haar vrienden die wel eens wilden weten wat er aan de hand was.
Rudolphus vertelde dat hij illusionist was en samen met wat collega’s werkte in het circus van Kunobertus. (Nee, rustig Lavinia!) Hij deed voornamelijk illusies van eenhoorns en zo. Afgelopen winter waren ze zoals ze dat altijd deden naar het graafschap Myres gegaan met het circus.
Ze hadden dringend geld nodig na de brand in hun circus tent dus toen een edelman uit het Noorden had gevraagd om eens te komen praten over een prive voorstelling tijdens het grote Eindejaarsfeest had Kunobertus daar van harte mee ingestemd.
Toen later die avond de rode tovenaar terug kwam en Rudolphus hem had gevraagd hoe het gegaan was had zijn baas een voor hem onbekende spreuk uitgesproken waarna alles om hem heen zwart werd.
Het eerste wat hij vervolgens wist was dat hij plotseling hier was. Wat er in de tussentijd was gebeurd was hem onbekend.
Dan bleef natuurlijk de vraag: “Waar was Kunobertus?”
De groengeschubte mensachtige wist het antwoord. Ze zei tegen Lavinia, die de enige was die haar kon horen, dat de rode tovenaar onder het water was, onder het oude theater.
En zo verlieten de avonturiers de onderaardse ruimte ( zonder die verder te plundere… ehhh onderzoeken), haalden de ongerust uitziende Max op en togen naar het theater.

img_8328

Het was inmiddels middernacht geweest. Saruman vroeg nog dringend om even te wachten totdat hij weer nieuwe spreuken had geleerd, maar dat geduld konden Lavinia en Grasshopper niet opbrengen. Ze moesten Kunobertus vinden, die immers de sleutel had van de kooien waar de verwaarloosde dieren inzaten. En dan hadden ze nog een hartig woordje met hem te bespreken.
De blauwe illusionist kende nog een aantal spreuken die drie van hen in staat stelde om een tijdlang onder water adem te halen. En de groene mensachtige had een paar platte parels in een doosje. Met enig kunst en vliegwerk en wat gebarentaal werd duidelijk dat ook deze parels de gave hadden om lieden onder water te laten ademen.
Vijf van de helden doken het niet al te frisse water in. Saruman en zijn kever, de blauwe tovenaar en de groene reptielvrouw bleven achter bij Max aan de rand van de waterplas.
In de donkere diepte van de poel bleek een doorgang naar een onderaardse gang die vol met water stond. Na met moeite een deur te hebben geopend kwamen ze in nog een gang. Grasshopper meldde dat er hier twee hagedisachtige wezens stonden. De spreuk gaf hem kennelijk ook de gave om onder water te praten. Ludwig geloofde hem op zijn woord. Zonder licht, en zijn lamp deed het natuurlijk ook niet onderwater, zag hij geen hand voor ogen, laat staan een hagedis.

img_8306

De twee hagedismensen kwamen dreigend op hen af met vreemd uitziende speren.
Even probeerden ze het nog met diplomatie. Of wat er voor moest doorgaan.
“We hebben jullie zuster!” riep de panda monnik.
“Dat is onze zuster niet, ” antwoordde een van de hagedismensen, en viel aan.
Het waren stevige tegenstanders en het water hinderde hun bewegingen maar desondanks wisten de helden de twee te verslaan.
De volgende deur opende naar binnen. Deze ruimte was nog droog, maar het water achter hen spoelde niet alleen onze helden naar binnen maar vulde de kamer ook gedeeltelijk met water. Gelukkig was er nu de mogelijkheid om rechtop te staan en lucht te ademen in plaats van water. Ook deze ruimte was donker maar een vreemd soort begroeiing ( algen?, mos?) op de muren gaf een ziekelijk groen licht af. Zo stond Ludwig tenminste niet in het pikkedonker.
Maar veel tijd om adem te halen hadden ze niet; vier hagedis mensen vielen hen aan. En nu bleek dat die rare speren een soort van bliksem afgaven die je lelijk kon verwonden. Het gevecht was fel en kort en liet de vijf avonturiers buiten adem achter.

img_0339

Buiten stonden de twee tovenaars en de reptiel vrouw mistroostig naar het donkere water te kijken. Max was inmiddels in slaap gevallen nadat hem verboden was om achter de eendjes aan te jagen. Saruman en Rudolphus wisselden wat spreuken uit en gingen toen maar eens de kooien goed onderzoeken. De ene kooi na de andere bevatte verwaarloosde en gewonde dieren.
Er waren beren en een grote gestippelde kat. Een kooi bevatte drie wolven en een volgende werd bewoond door een wel heel grote wolf. De laatste kooi bevatte een das die erin slaagde om er tegelijkerijd zielig en woedend uit te zien.

img_8321

Beneden hadden de overige leden van de groep inmiddels een ladder omhoog ontdekt die naar een droge ruimte leidde met een aantal kamers die duidelijk als slaapkamer annex kleedkamer gediend hadden. Een kamer was uitgedost in overdadige rood tinten. Mooi rood is niet lelijk en ik zal de laatste zijn die bezwaar heeft tegen wat rode accenten in een kamer maar dit leek eerder op een bordeel.
Kamer voor kamer werd onderzocht en in de kamer waar een merkwaardig boek werd aangetroffen, geschreven in een taal die niemand herkende, en een brief in dezelfde taal, werd opnieuw een barnsteen met inhoud gevonden.
Toen ook deze werd opengepeld en de bewoner ervan op de grond duikelde werd het Lavinia rood voor ogen. Het was Kunobertus! Ze sprong naar voren en stak de man in zijn zij voordat hij wist wat er gebeurd.
“Wat is dit?” riep de man, “Waarom val je mij aan? Ik ben maar een onschuldige illusionist!”
Iets in de gelaatsuitdrukking van Kunobertus deed Ludwig besluiten dat het beter was om eerst eens te luisteren naar wat hij te zeggen had. Bovendien kwam ook hij uit een barnsteen, net als de blauwe tovenaar en de reptielvrouw, dus misschien had hij wel niets te maken met de verwaarloosde dieren en de kwaadaardige hagedis mensen. Hij greep de halfling vast en sleurde haar lijfelijk bij de rode tovenaar vandaan.
Guldan ondervroeg de man.
Kunobertus ontkende iets te maken te hebben met de dieren in de kooien of de dierenhuiden in het pakhuis van Melkor. Waarom zou hij echte dieren gebruiken in zijn circus als hij met illusies zoveel meer kon doen. Bovendien was hij vegetarier. Uit overtuiging, omdat hij dieren geen kwaad wilde doen.
Afgelopen winter was hij met zijn circus naar het Noorden gereisd, naar Myres, zoals gebruikelijk.
Diederich van Comau, een jongere neef van de Graaf van Myres (en voormalig zwager van de zus van de vermoorde koning van Ynosta, het land waar onze helden zich bevonden), had hem uitgenodigd op zijn kasteel om te praten over een prive voorstelling tijdens het Eindejaarsfeest. En dat aanbod zou hij met beide handen aangenomen hebben. Maar daar kreeg hij de kans niet voor. Zodra hij de kamer waar de edelman zich bevond was binnengetreden had een vreemd uitziende magier hem betoverd. En nu pas had hij zijn vrijheid herwonnen. Wat er in de tussentijd was gebeurd daar had hij geen idee van.

img_8331

Het kostte wat moeite om de halfling te overtuigen dat deze man niets met de hele zaak te maken had en voornamelijk zelf slachtoffer was. Ondertussen genas Guldan de wond in de zij van de tovenaar.
Met enige voorzichtigheid openden ze de laatste kamer.
Hier bevonden zich twee hagedis mensen met speer, een wat kleinere hagedismens in een bruin gewaad en een figuur die de tweelingbroer van Kunobertus had kunnen zijn. ( Kunobertus bezwoer hen dat hij enig kind was.)
Maar voordat wie dan ook maar een stap kon zetten gebeurde er iets totaal onverwachts. De geur van de rode tovenaar in de hoek was dezelfde als die van de man in de kelder onder het circus en dit veroorzaakte een heftige reactie bij de halfling rogue.

img_8319

Lavinia slaakte een enorme oerkreet en de onthutste metgezellen zagen hoe er plotseling een witte vacht door de kleding van de kleine halfling begon te groeien. Haar gezicht vervormde en werd een grommende wolvensnuit en haar handen en voeten veranderden in klauwen. Ze was een weerwolf geworden!
Woest sprong ze op de rode gedaante af. Al het andere was nu niet relevant.
Haar vrienden waren natuurlijk in meer of mindere mate geschokt door de gedaanteverandering van de jonge halfling vrouw, hoewel het wel een en ander verklaarde over haar gedrag. Veel tijd om er over na te denken hadden ze echter niet want de andere aanwezigen in de kamer vielen hen aan.
Guldan probeerde opnieuw een van zijn nieuwste spreuken. Met deze bezwering had hij Ludwig de kracht van een stier willen geven, maar er ging iets mis. Zijn eigen hoofd veranderde in dat van een stier en een tijdlang was hij niet in staat om te spreken.
Met vereende krachten wisten de reisgenoten de hagedismensen te verslaan terwijl Lavinia als weerwolf de tweede, valse Kunobertus in stukken scheurde. Er bleef niet veel van hem over. En toen hij eenmaal dood was veranderde zijn lijk, wat ervan over was tenminste, in een hagedis mens.
Kunobertus ( de echte) werd er bij gehaald om de hagedismensen te identificeren. Hij herkende ze als zijnde Kuo Toa. Dit was een roofzuchtig volk dat onder de zee leefde en alles opvrat wat ze tegenkwamen. Ze konden ook boven water leven, maar dan gaven ze de voorkeur aan moerassen. Wat ze hier kwamen doen daar had hij geen idee van.
Op het lijk van de hagedisman die Lavinia zo vakkundig gefileerd had vonden ze, (behalve een amulet dat Kunobertus herkende als zijnde zijn eigendom, hij gebruikte het om in en uit de circus tent te teleporteren tijdens voorstellingen) een rode, gegraveerde steen. Het was de steen die normaal in een van de ringen van Kunobertus had gezeten.
Dit was de sleutel tot de kooien, legde Kunobertus uit. En via een geheime deur, achter de illusie van een open haard konden ze makkelijk weer naar buiten.
Nadat Lavinia weer teruggekeerd was in haar halfling vorm gingen de reisgenoten naar buiten. Daar kwamen ze vlak naast de circustent weer boven.
Als eerste bevrijdden ze de dieren in de kooien. De gestippelde kat was bijzonder geirriteerd en de wolven begroetten de halfling als een vriend.
Maar de grote wolf in de op een na laatste kooi deed iets onverwachts. Zij, een zwanger vrouwtje, veranderde toen de kooi zich opende op exact dezelfde wijze als Lavinia kort daarvoor, van wolf naar mens.
Ook zij was een weerwolf.
Haar naam was Veronika en ze kwam uit het noorden. Haar man Ivar was scheepskapitein en gedurende de tijd dat hij op zee was verbleef ze bij haar grootouders in de bergen. Haar schoonouders zagen haar niet zo zitten. Daar was ze gevangen genomen door tweebenige figuren toen zij in wolvengedaante een wandeling aan het maken was. Ze had zich niet terug durven veranderen omdat ze bang was voor haar pups.

img_8333

Ze legde samen met Lavinia uit aan de verbijsterde reisgenoten dat er twee soorten weerwolven waren. Zij die als weerwolf geboren werden, en die volledige controle hadden over hun vorm, en zij die tot weerwolf worden gemaakt. Die laatsten waren het gevaarlijkst omdat ze geen controle hadden over hun vorm en over wat ze in die andere vorm deden.
Ze kon op dit moment de reisgenoten niet belonen voor haar redding maar haar man Ivar zou hen evenzogoed dankbaar zijn. Als ze ooit in het noorden waren moesten ze haar maar opzoeken.
De bevrijde dieren werden, op de wolven na, afgeleverd bij de druiden in het bos, die beloofden hen terug te brengen naar waar ze thuishoorden. En aangezien het zo laat was dat het weer bijna vroeg werd gingen de avonturiers op weg naar hun welverdiende nachtrust. Voor de tweede keer.
Nog een ontmoeting hadden ze.
Op het pleintje bij het standbeeld zat nog steeds de in grijs geklede eigenaar van de rioolkroeg. Ze wilden nu wel eens weten wat hij daar deed. Hij had inmiddels van het stuk hout een reptielachtig wezen gesneden. Een met drie hoorns maar zonder vleugels, dus een draak was het niet.
Degene op wie hij wachtte zou nu wel niet meer komen, zei hij. Wie dat dan was? Nemmereth, de oude bronzen draak. Ze had kiespijn en hij had een drankje dat de pijn zou verlichten en de koorts zou wegnemen.
De reisgenoten probeerden nog meer informatie los te wrikken door op intimiderende wijze om hem heen te gaan staan. Het had geen enkel effect. Sterker nog, de hond Max gedroeg zich als een mak schaap in de buurt van de grijze man en de kever was, na een korte inspectie (nee, hij had geen salade bij zich), ook niet van plan de man aan te vallen.
Het figuurtje in zijn hand was een sauriermens, zo zei hij op onverstoorbare toon. Daar had hij onlangs over gelezen. Deze wezens leefden in het verre zuiden van het Grote Continent en communiceerden door middel van geuren. Een fascinerend onderwerp.
Ze vroegen hem ook wat de Kuo Toa hier te zoeken zouden kunnen hebben.
De man haalde zijn schouders op. Misschien waren ze op zoek naar de sterrensteen die hier ooit, heel lang geleden was neergestort. Op de plek waar nu het theater lag. De kom die gebruikt was om de tribune te bouwen was onderdeel van de krater die het neerstorten van de komeet had veroorzaakt. Dat was algemene kennis. Net als het idee dat die komeet magische eigenschappen had. Het zou kunnen dat ze daarnaar op zoek waren. Zelf had hij nooit de behoefte gevoeld om naar het ding te gaan graven. Teveel moeite.
Ze groetten de man, die duidelijk niet van plan was om meer te vertellen en gingen terug naar de stad. Toen Ludwig omkeek zag hij dat de man verdwenen was. Waarschijnlijk door het mangat naast het standbeeld dat hijzelf zojuist had ontdekt. Een ladder liep naar beneden de duisternis in, maar het had op dat moment geen zin om dat gangen stelsel te gaan onderzoeken.
Eerst maar eens goed rusten en de gebeurtenissen van die dag verwerken.

Epiloog

In de bibliotheek van de Grote Tempel had de tovenares Moreta atlas na atlas van de plank gehaald. Alle reisbeschrijvingen die ze kon vinden had ze doorzocht. Het leek een speld in een hooiberg, gezien het feit dat alles wat ze had een tekening was van de vorm van een eiland.
Haar draakje had zich al een tijdje teruggetrokken in zijn eigen holletje, achter de waterval, achter de regenboog. Een holletje dat hij met behulp van een wat groter vriendje inmiddels wat groter had gemaakt.
Ze had eigenlijk de moed al opgegeven toen ze in een obscuur boek over de leefwijze van gnolls een kaart aantrof met een eiland dat wel heel erg leek op de tekening van Nemmereth.
Ze mocht het boek echter niet meenemen en zelf natekenen… Tja, een cartograaf was ze niet.
Op de terugweg naar het huis van de Vrouwe Eilydis, waar zij als woudelf logeerde, liep ze bijna tegen een klein mannetje aan. Iets aan dat mannetje kwam haar bekend voor.
Oh, natuurlijk! Dit was Freddie, die door haar vrienden was bevrijd uit de grot onder de Oude Tempel. Ze herinnerde zich iets over het feit dat hij kaarten verzamelde en een kaart maar een keer hoefde te zien om hem foutloos na te tekenen.
Ze vroeg hem of hij bereid was om voor haar een kaart na te tekenen en hij antwoordde dat hij dat best wilde doen voor vijf zilverstukken. Dat vond Moreta het ruimschoots waard en ze sprak met hem af dat ze morgen, als de bibliotheek weer open was, met hem naar de kaart zou gaan kijken.
Ondertussen haalde Lavinia de jonge wolf, die ze Lyall genoemd had, op bij de staljongen en verdween erna het bos in. Ze liep ook vooruit op de rest, bang voor hun oordeel over haar (ze was immers niet anders gewend van alles wat op twee benen loopt). Samen met het jonge dier bracht ze ook de nacht in het bos door. Wat zou de ochtend brengen?

Wordt vervolgd….

Petra Schulein Coret

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (8): Paniek in het Pakhuis”

14 maart 4476 Witte Tempeltijd

Proloog

Op een zonnige ochtend in het voorjaar werden de helden wakker en togen naar het Grote Plein. Althans vier van hen.
Amaril, de zee elf, was niet tevreden over zijn vechtprestaties en was naar een afgelegen elven school in de bergen gegaan om zijn vaardigheden wat aan te scherpen. Guldan daarentegen, de dienaar van de Vierde Broeder, maakte zich ernstige zorgen om de hond Max. Deze werd met de dag triester en bleef maar naar het Oosten kijken. Hij besloot om samen met Max op pad te gaan om uit te zoeken wat er eigenlijk gebeurd was.

IMG_8032

Moreta de sorceress bracht een bezoek aan de elven ambassadrice, de Vrouwe Eilydis, die haar wat bijspijkerde over de kennis van tovenarij.

IMG_7978

Haar draakje verveelde zich de tandjes en besloot tot een koekjes binge-night.

IMG_7979

Samantha de bard, ten slotte, was zo verdiept in haar voorbereidingen voor een groot optreden dat ze nauwelijks besefte dat de rest van de wereld nog bestond. Het Lentefestival stond voor de deur met talloze mogelijkheden om te spelen voor allerlei publiek. Wie weet vond ze nog wel iemand die haar muzikale carriere verder kon helpen.

IMG_8036
Eenmaal aangekomen op het Grote Plein stond Sigurd de dwergen krijger al op hen te wachten. De Tempel had niet veel werk voor hem en hij verveelde zich een hoedje. Mocht hij misschien met zijn vrienden mee op avontuur?

IMG_7962

Natuurlijk! En zo bezochten vijf jonge avonturiers plus een hongerige kever als eerste de winkel van de Gebroeders Melkor om wat losse zooi te verkopen en wat noodzakelijke spullen in te kopen. Om daarna even een bezoek te brengen aan de Stadswacht waar de jonge edelman Ludwig het idee had om het logboek van de smokkelaarskapitein tegen een geringe beloning over te dragen aan de sergeant van dienst. Het is altijd goed om de autoriteiten een dienst te bewijzen.
Vervolgens ging het gezelschap maar eens informeren wat die vacature inhield bij de gebroeders Melkor.

“Tja,” zo zei Gregorio Melkor, “Wij verkopen hier allerhande zaken, zoals U weet. De meeste dingen kunnen wij zonder enig probleem inkopen bij plaatselijke handelaars, maar er zijn dingen die wat moeilijker te verkrijgen zijn. Er zijn in de de wereld heel wat bijzondere, ook magische, voorwerpen die, -hoe zullen we het zeggen-, verloren zijn gegaan. Hun eigenaar sneuvelde in een afgelegen gebied, het schip wat hen vervoerde zonk of iemand heeft ze verborgen met de bedoeling ze later weer op te halen. Wat dan nooit gebeurd is. Of ze zijn meebegraven met hun voormalige eigenaar.
De schatten van de doden, aan wie behoren zij toe, indien zij niet worden doorgegeven aan de levenden, mmmm? Dat is in deze de vraag. Is het terecht dat zij liggen te verstoffen en vergaan in lang vergeten graven, terwijl zij van nut en lering zouden kunnen zijn voor volgende generaties? Moord en doodslag, roof en diefstal, dat keuren wij niet goed, dat geeft maar heibel en ongemak. Maar wie kan er op tegen zijn dat verloren artefacten weer gebruikt worden waar zij ooit in eerste instantie voor bedoeld waren? Mmmmm?”
De oude halfling bleef even in gedachten verzonken, voordat hij vervolgde: “Vroeger, ja vroeger, toen deden wij dat zelf. Met z’n zessen, toen Lothario nog leefde. Maar op een gegeven moment kom je er dan achter dat die skeletten achter je wel erg hard rennen, om dan te concluderen dat het niet de skeletten zijn die harder lopen maar dat jijzelf een stuk minder hard loopt dan vroeger. En dan zijn er nog wat echtgenotes die beginnen te klagen dat zij hun man zo weinig zien en dat de kinderen hun vader nodig hebben en ja… Dan wordt het tijd voor een nieuwe, een jongere generatie om te laten zien wat zij kunnen.
Als jullie bij ons in dienst komen dan hebben wij kaarten voor jullie. Landkaarten, schatkaarten, kaarten waarvan wij denken dat er op die lokatie waardevolle voorwerpen te vinden zijn. Onze Freddie vindt deze kaarten voor ons, wij betalen hem daarvoor. Hij haalt ze overal vandaan en het mooie is dat hij een kaart slechts een keer hoeft te zien om hem feilloos na te kunnen tekenen. Dus het is niet nodig die kaarten te kopen. Of te stelen.
Als jullie dan onderzoeken of er inderdaad iets bijzonders ligt dan krijgen jullie bij ons 10 procent korting op al onze waren. Logischerwijs zullen julle de voorwerpen die jullie zelf kunnen gebruiken willen houden, maar de rest, waar jullie niets mee kunnen, of willen…
Jullie zullen merken dat er maar weinig winkels zijn die dergelijke bijzondere voorwerpen willen, of kunnen, kopen. Onze expertise is uniek.
Wat vinden jullie ervan? Mmmm?”
De avonturiers vonden het een uitstekend plan en lieten Melkor dat ook weten.
“Dat is mooi!” zei Gregorio Melkor, “Dan hebben wij als eerste een opdracht voor jullie die wat afwijkt van de algemene opdracht.

IMG_7955
Jullie hebben vast wel meegekregen dat er in de afgelopen dagen wat ongeregeldheden hebben plaatsgevonden in de haven. De orken van twee rivaliserende stammen kwamen hier hun ruzie uitvechten. Ondertussen heeft de Stadswacht de betrokkenen geneutraliseerd en gearresteerd waardoor de meeste pakhuizen nu wel weer zijn vrijgegeven. In deplorabele staat over het algemeen.
Hoe dan ook, het pakhuis waar wij een gedeelte van huren is nog steeds niet vrijgegeven. De Stadswacht ontdekte er het lijk van een jonge elven vrouw. Deze is blijkbaar niet omgebracht door de orken en is na elders vermoord te zijn in ons deel van het pakhuis terechtgekomen. Wij kennen de jonge vrouw verder niet. Daarom gaat het onderzoek van de Stadswacht nog verder en zal het pakhuis pas over een week, op z’n vroegst weer voor ons toegankelijk zijn.
Dat is zeer onhandig want er liggen nog twee pakjes in onze kluis, waarvan een dat wij binnen twee dagen moeten afleveren aan een klant. Na die twee dagen vertrekt de klant en dan moeten we maar zien of we ons geld nog krijgen.
Hoewel wij weing hoop hebben dat er nog iets van waarde in ons pakhuis is overgebleven na alle plunderingen, zou de kluis nog moeten staan. Hij is zonder sleutel ook vrijwel niet open te krijgen.
De vraag is of jullie bereid zijn om voor ons de twee pakjes op te halen. Als jullie ook de documenten mee nemen die in de klus liggen dan is dat zeer prettig. Dat zijn contracten die we met derden hebben en dat soort zaken.
Helaas kunnen wijzelf de pakjes niet ophalen. Ons wordt de toegang tot het gebouw ontzegd. Ook al onze medewerkers mogen niet naar binnen. Maar jullie kennen ze niet, wellicht dat jullie een manier weten om binnen te komen.
Ik moet jullie echter waarschuwen: als jullie betrapt worden op illegale zaken kunnen we weinig voor jullie doen.”

Het pakhuis

De reisgenoten stemden ermee in mits ze de sleutel en de lokatie van de kluis kregen. De sleutel kregen ze. Het bleek dat de kluis slechts bereikbaar was via een tweetal andere kamers waarvan de sleutels in het kantoor van de manager moesten liggen.
Ludwig bedacht dat ze wel heel erg moeilijk konden gaan doen met inbreken etcetera maar ze konden gewoon ook vragen aan de sergeant van dienst of ze via de vooringang naar binnen mochten. Per slot van rekening hadden ze zojuist de Stadswacht geholpen met het logboek van de smokkelaars.
Die schreef voor hen zonder aarzelen een briefje voor de stadswachters bij het pakhuis op voorwaarde dat ze eventuele sporen van de moord in kwestie met rust zouden laten. Dat beloofden ze. De wachter bij de voordeur van het pakhuis had zo te zien wat moeite met het handschrift van zijn baas, -of anders had hij een brilletje nodig, Grasshopper suggereerde nog dat de heer Melkor die vast wel had-, maar deed daarna de deur voor hen open.
En zo liepen de helden vrij moeiteloos het pakhuis binnen. Vijf smalle treden naar beneden kwamen ze in een korte gang.

Links en rechts van de splitsing iets verderop hingen nog wat lantaarns maar verderop was het pakhuis pikdonker. Dit was voor de meesten van de groep geen probleem. Dwergen kunnen prima zien in het donker en Lavinia met haar brilletje zag hier net zo goed als buiten. Panda’s zien wat minder goed in het donker maar nog altijd beter dan mensen.

IMG_7943

Saruman had dan weer zijn kever die hem via hun telepatische band liet zien wat hij zag in het donker.
De enige die na de eerste gang geen hand voor ogen zag was Ludwig.
Meester Melkor had weliswaar wat instructies gegeven over waar het kantoortje met de benodigde sleutels te vinden was maar die was iedereen accuut weer vergeten. En dus besloten ze tot een grondig onderzoek van het pakhuis.
Het eerste wat hen opviel was een grote bloedvlek in het midden van de gang. Die was volgens Lavinia afkomstig van een mens. Er waren hier ongure dingen gebeurd. Zoveel was zeker. De eerste deur die ze openmaakten gaf toegang tot een archief. Er was op zich niet zoveel bijzonders te vinden behalve dan die ganzeveer die zo ongeveer vijf centimeter boven een bureautje zweefde. Saruman was direct geinteresseerd en na wat geexperimenteer bleek dat de veer opschreef wat je hem dicteerde. De veer verdween in de rugzak van Saruman.
Onze jonge edelman had meer interesse voor het tafellampje dat er stond. Veel licht gaf het ding niet af maar iets was beter dan niets.
De bloedvlekken op de vloer liepen langs twee deuren die recent opengebroken waren. Bij de eerste was een provisorisch zegel aangebracht en de tweede was in zijn geheel vervangen. Dit was dan waarschijnlijk gebeurd voor de orken het haven gebied opstelten hadden gezet want het was niet het zegel van de Stadswacht dat wel op de buitenkant van het pakhuis had gezeten.
De avonturiers luisterden eens aan de eerst deur en besloten dat ze het geritsel daarachter later zouden onderzoeken.
Een sleepspoor van bloed leidde naar een kamer met een kunstig bewerkte deur. Eenmaal opengemaakt door de behendige halfling Lavinia zagen ze daar een grote puinhoop. Het moest ooit een luxe kamer zijn geweest met een duur bureau en comfortabele stoel. Zacht hoogpolig tapijt lag op de vloer en schilderijtjes hingen aan de muur.
Dat was vroeger. Nu was alles kort en klein geslagen met enorm geweld. En een grote vlek ontsierde het tapijt. Bloed en andere onfrisse zaken. De kamer was ook niet onbewoond; een krioelende massa ratten was bezig iets, (iemand?), op te eten.
Terwijl de helden nog aan het overleggen waren of ze deze kamer wel wilden betreden hief een van de ratten zijn kop op. Na hem volgden er meer en al gauw werden de avonturiers aangevallen door een golvende horde ratten. Een van hen beet de panda monnik venijnig in zijn been. Grasshopper voelde zich daarna niet zo best meer. Het gevecht was in het begin redelijk eenzijdig, de reisgenoten hadden weinig in te brengen. Daarop besloot Saruman maar eens een spreuk uit te spreken. Een vuurspreuk. Je weet wel, dezelfde die op het Misteiland zo grandioos mislukte dat er dus helemaal niets gebeurde. Maar Saruman had inmiddels geoefend. En vol zelfvertrouwen sprak hij de woorden uit. Zou het kunnen dat hij bij de laatste lettergreep ineens twijfelde? Of werd hij plotseling afgeleid door het feit dat zijn kever om een hapje bedelde?
Geen idee. Maar het resultaat was een enorme steekvlam die de baard, de snor en de wenkbrauwen van de magier voor een groot deel afschroeide. De enige reden dat de hoed van de tovenaar niet hetzelfde lot onderging als de rest was omdat Saruman de vlammen haastig uitsloeg met zijn handen.
De ratten bleven overigens ongedeerd.
Toen de helden een beetje bekomen waren van de eerste schrik werden de ratten echter vakkundig in stukjes gehakt. En verschroeid. Want de tweede vuurspreuk van Saruman werkte wel.

IMG_7963

Nu konden ze de kamer rustig onderzoeken. In een kist vonden ze wat boeken die wellicht belangrijk zouden kunnen zijn. Met name het boek over de mogelijke vindplaatsen van pagina’s van een boek dat Trimera genoemd werd. Een aantal locaties waren al doorgestreept. In een kast achterin, die op een gat in de grond stond, -hierdoor moesten de ratten naar binnen zijn gekomen-, vonden ze naast wat kostuums en een merkwaardig jurkachtig gewaad nog een boekje met codes. In de resten van het bureau vonden ze dan een briefje van ene Lena die de sleutels van de kluis had geleend.
Verder zoeken dan maar. Het viel trouwens op dat de jonge halfling zo te zien erg had geoefend op moeilijke sloten en vallen. Die wist ze steeds maar weer zonder enig probleem open te krijgen dan wel onschadelijk te maken. Het waren de makkelijke sloten waar ze faalde. Dit gaf de tovenaar dan weer de gelegenheid om een van zijn nieuwe spreuken uit te proberen. Die waarmee hij een kist of doosje open kon krijgen. Maar dit terzijde.
In de volgende kamer was niet heel veel bijzonders te vinden behalve dan een deur die verder naar binnen leidde. De kluis, zo was hen verteld, was alleen te bereiken via twee andere kamers. Hadden ze hun doel bereikt?
Helaas, achter de volgende deur hingen slechts spinnenwebben. Oh, en spinnen natuurlijk. Het waren er op zich niet veel maar ze waren stuk voor stuk ongeveer even groot als de halfling en de dwerg. Sigurd gromde nog maar eens dat hij een bloedhekel had aan spinnen en ging in de aanval. Dat ging best goed. De spin die boven hem hing was echter net buiten zijn bereik. En het bereik van zijn dwergenbijl. Dwergen zijn nu eenmaal wat beperkt qua lengte.
Lavinia had een groot aantal dolken verzameld en deed haar best net als de Grasshopper met zijn nieuwe staf en Saruman met zijn kever en kruisboog.
Een van de spinnen wist alsnog een web de kamer in te schieten waar de helden zich bevonden waardoor een aantal van hen bedekt werden met de kleverige massa. Grasshopper klaagde over de smeerboel op zijn nieuwe tuniek die hij uit de verzameling magische voorwerpen van de reisgenoten had geleend. Het loshakken en snijden hiervan kostte wat moeite en ondertussen maakten de overige leden van de groep de spinnen af.
Achterin de kamer bewoog nog wat. Het was een krokodil met een halsband om die door de spinnen vakkundig in was gepakt.
Lavinia ging naar het beest toe en probeerde met hem te communiceren. Het dier gaf beelden door van tweebenige wezens die hem voerden en verzorgden. Ondanks de bedenkingen van de rest van de helden besloot de jonge halfling vrouw het beest te bevrijden. Geen enkel dier verdiende het om op deze manier aan zijn einde te komen. Om de ergste honger van het grote beest te stillen bood Lavinia hem een dode spin aan maar dat vond de krokodil niet zo bijster smakelijk. De ratten in het kantoortje daarentegen vielen beter in de smaak. Voor de veiligheid, ( Wiens veiligheid eigenlijk? Die van de groep of die van de krokodil?), sloot ze het hongerige reptiel zolang even op in het kantoor.
Op de deur van de kamer waar de spinnen waren hing een bordje dat niet helemaal goed leesbaar was. Er stond in ieder geval: “Betreden op eigen risico”. Daarboven zou nog iets hebben kunnen staan als : “Inbeslaggenomen die…”
Er stonden in de volgende kamer heel wat kooien. Sommigen hadden bordjes, zoals: “Wezel” of “Poolvos” of “Zuidelijk Reuzenkonijn.” En die dieren zaten dan ook in de kooien. Ze keken de helden hongerig aan. Hun etensbakjes waren leeg en ook water was niet voorhanden. Kennlijk waren ze al een paar dagen niet verzorgd. Waarschijnlijk omdat hun verzorger het pakhuis niet in kon vanwege de ongeregeldheden.
Twee kooien hadden wel een bordje maar geen bewoner. De eerste was een grote bak van wel twee meter lang waarop “Python” stond. De deksel stond open en er waren gaten in de muren waardoor het beest ontsnapt zou kunnen zijn.
Op de tweede stond “Arctische Wolf”. Plukjes vacht lieten zien dat het hier om een voornamelijk wit exemplaar moest zijn gegaan. De kooi was bovendien niet groot en hier zou alleen een jong beest in hebben kunnen passen.

IMG_9787

Wat was het aan die kooi dat Lavinia wit deed wegtrekken? Was het dat het hier om een wolf ging? Ze had, zoals je weet, een grote affectie voor wolven. Natuurlijk omdat ze van jongs af aan door wolven was opgevoed. Het waren haar vrienden geweest, haar familie. Ze droeg nog steeds de vacht van de Oeroude Wolvin die haar onder haar hoede had genomen en die ze als moeder beschouwde om haar schouders. Maar toch.
Alle dieren in deze kamer, met de mogelijke uitzondering van de konijnen die ze eerder als lunch zag, hadden haar sympathie. Ze beloofde hen dat ze terug zou komen zodra het veilig was om hen hieruit te halen.
En toch was haar blik naar achteren toen de avonturiers de ruimte verlieten vooral gericht op de lege wolvenkooi. Een gepijnigde blik.
In deze gang leek het of de bloedsporen minder werden maar dat kon ook gezichtsbedrog zijn. De eerstvolgende deur was niet op slot. Een bordje boven de deur verklaarde waarom niet. Er stond: “Kantine”.
Heel zachtjes openden onze helden de deur. In de ruimte erachter stonden en lagen allerlei tafeltjes en stoeltjes en ten midden daarvan scharrelden een aantal zeer grote kakkerlakken. De voorraden in deze kantine werden in rap tempo weggewerkt. Meester Melkor had hen al gewaarschuwd voor het feit dat er vanuit het riool allerhande ongedierte naar boven was gekomen en dat bleek dus te kloppen.
De reisgenoten keken elkaar eens goed aan en sloten de deur al even zachtjes als ze hem geopend hadden. Dit mocht een ander oplossen.

IMG_7939

De reisgenoten volgden nog steeds de bloedsporen maar ze waren extra op hun hoede met de wetenschap dat er zich hier ergens een meterslange slang moest bevinden. En dus luisterden ze voorzichtig aan de volgende deur die ze tegenkwamen.
“Ssst! Stil nou, anders horen ze ons,” klonk het achter de deur.
“Is daar iemand binnen?,” vroeg Ludwig.
“Het is de stadswacht, hou je mond nou, ” fluisterde iemand aan de andere kant van de deur.
“Dit is de stadswacht!”, zei Lavinia, ” Als jullie rustig en een voor een naar buiten komen, zal jullie niets overkomen.”
Stilte.
Dan verloor Lavinia haar geduld. Met haar eeuwig scherpe dolk prikte ze een gat in de deur daar waar zij vermoedde dat er iemand stond. Er klonk geen kreet en er vloeide ook geen bloed maar de deur ging langzaam open.
Daar stond een smoezelig uitziende man in zeemanskledij. Hij had een flinke, verse scheur in de schouder van zijn tuniek en in de ene hand een handspaak en in de andere een rammelende zak.
Op de vraag hoe hij, met z’n kameraden binnen waren gekomen antwoordde hij dat ze een zij ingang hadden gebruikt.

IMG_7974
Het was wel duidelijk wat ze hier deden. De jute zak zat vol met snuisterijen die ze van bureau’s moesten hebben gejat. De overige plunderaars wilden zich eerst niet overgeven maar enige dreigementen later en de vermelding dat ze anders een krokodil op ze afkregen deden hen van gedachten veranderen. De dwerg Sigurd bond hun handen vast en het gezelschap maakte een kort uitstapje naar buiten om de gevangenen uit te leveren aan de verbaasde wachter. Zijn verbazing sloeg om in vreugde bij de mededeling dat hij best mocht zeggen dat hij ze gevangen had. De man zag ineens promotie kansen in het verschiet.
Dan weer terug naar binnen. Ee lag een enorme bloedvlek op de trap naar boven. De deur bovenaan de trap was enigszins beschadigd. Een groot stuk van de onderkant was afgebrokkeld. Deze verdieping had gelukkig ramen waardoor Ludwig de olie in zijn lampje kon sparen. Er stond een raam op een kiertje, waarschijnlijk om de bloedstank een beetje te laten verdampen. Tenzij dat de manier is waardoor de moordenaar(s) was (waren) binnengekomen. Lavinia rook met haar scherpe neus immers ook orken.
De kamer achter de deur bevatte naast een achttal bureau’s twee enorme bloedvlekken. De ene bevatte het bloed van een mens, de tweede dat van een elf. Hier was dus kennelijk het lijk van de elvenvrouw gevonden. Maar had de Stadswacht ontdekt dat er ook mensenbloed lag?
Grondig onderzoek zorgde ervoor dat in een geheim vakje een sleutelbos werd gevonden met drie sleutels. De python was hier ook geweest. Hij had zich hier verveld. Bovendien was er een geheime deur in de muur die naar een korte gang leidde. En die gang leidde dan weer naar een kamer die in grote woede aan gruzelementen was geslagen. De ramen stonden ook hier open. Een metalen noodtrap buiten leidde naar beneden.
Na enig destructief speurwerk werd een geheim vak ontdekt in de muur met daarin een nogal ingewikkeld uitziende sleutel. Die zag er overgens precies zo uit als de sleutel die ze van Meester Melkor hadden gekregen.
Meer was hier niet te vinden en dus trok het gezelschap naar beneden naar een stenen deur die ze nog niet hadden geopend.
Ondanks het feit dat ze nu bulkten van de sleutels besloot Lavinia alsnog de deur op haar manier te openen.
Et voila! Ze hadden de kluis bereikt . Althans de eerste kamer. Overal stonden kisten en kostbaarheden. Schilderijen en beeldhouwwerken stonden langs de kant, rollen zijde uit het Kleine Continent lagen opgestapeld op planken en er stonden veelbelovende kisten. In die kisten zaten zakjes met munten: zilver, goud en platina.

IMG_7953
De avonturiers wisselden een veelbetekenende blik uit. Zouden de gebroeders Melkor dit missen? Konden ze het maken om dit mee te nemen? Hmmm…..
Meester Melkor had gezegd dat hij niet verwachtte dat er nog veel over was….
Vooruit, zelfs de principiele Ludwig hielp vrolijk mee met het leegruimen van de kisten. Hij had een pantser gezien, van mithril, en een prachtige boog. Nee, Melkor zou hier niets van merken. De kever hield zich ondertussen bezig met het verorberen van de appels die op een zilveren schaal lagen.
De tweede deur was ijs en ijs koud. Lavinia besloot het slot niet op de normale manier te openen maar het simpelweg uit de deur te snijden met haar drakendolk.
De kou achter de deur was niet te harden. De kamer werd zo te zien gebruikt als een voorraadkamer voor voedsel en fruit. In het midden stond een stevige kist. Hierin zat nog een kist en daarin zat een witblauwe steen die zeer veel kou uitstraalde. Lavinia’s adem bevroor toen ze dichterbij kwam.
Ludwig wist te vertellen over een legende die hij kende. Over een koning die de Steen van het Noorden had gevonden en hem tentoon wilde stellen in zijn paleis. Het resultaat was dat alles en iedereen in het paleis bevroor. Zou het kunnen dat dit die steen was?
Desondanks besloten ze de steen toch mee te nemen. Goed geisoleerd in verschillende kistjes. Dit was iets wat de Gebroeders Melkor hier vast niet onbeheerd achter wilden laten.
De volgende deur gaf toegang tot een kleine ruimte. Een ruimte met een enorme, versterkte deur. De kluis, eindelijk. Snel verzamelden ze de twee pakjes die ze moesten ophalen en vulden wat leeggegooide kisten met de documenten die er ook lagen.
Missie volbracht.

IMG_9845
Maar ja, wat zat er nou achter die andere deuren in het begin? De deuren waar ze voorbijgelopen waren. Een onbedwingbare nieuwsgierigheid maakte zich van hen meester.
De verzegelde deur was makkelijk genoeg open te krijgen. De ruimte erachter was niet heel erg interessant. Nog een deur gaf toegang naar een binnenkamer. In deze kamer bevonden zich opnieuw ratten die aan het lijk van een jonge mensenvrouw aan het eten waren. Na een kort gevecht, waarbij de vuurspreuk van Saruman zomaar in een keer goed ging, haalden de avonturiers opgelucht adem en maakten aanstalten om de binnen deur te onderzoeken.
Maar plotseling leek Lavinia iets te horen. Ze draaide zich onmiddellijk om en rende de kamer uit. Sigurd volgde haar op de hielen. Hij wist wel niet waarom ze plotseling haar vrienden in de steek liet maar hij was ervan overtuigd dat ze een goede reden moest hebben. Bovendien kon hij haar niet alleen het gevaar, -als dat er was-, tegemoet laten rennen. Dwergen vinden vriendschap en trouw heel belangrijk.
Hij trof haar aan bij een kamer in de hoek van het gebouw. Ze hakte, roekeloos, het slot open zonder te denken aan vallen of vijanden. Dit was tegenstrijdig met haar, normaal gesproken, voorzichtige aard.
Gelukkig bevonden er zich achter de deur geen vijanden. Een draagbare kooi stond op een bureau. En in die kooi zat een jonge wolf. Ook hij had in de afgelopen dagen geen water of eten gehad. En zo te horen had hij zich schor gejankt. Het arme dier keek met een mengeling van hoop en angst naar de twee nieuwkomers.
Lavinia aarzelde geen moment en maakte de kooi open. Ze liet het jonge dier drinken uit de veldfles van Sigurd, – die met het water, niet die met het bier-, en voerde het wat stukjes gedroogd vlees. Geleidelijk aan werd het welpje rustiger.
Mensachtigen hadden hem gevangen, dat was het beeld dat Lavinia van hem doorkreeg. Hij herinnerde zich dat hij met zijn vader vrolijk en vrij rondrende op een plek met sneeuw en bergen. En toen kwamen de tweebeners. Hij wist niet zeker wat er met zijn vader was gebeurd, maar hij vreesde het ergste. Nadat hij gevangen was en in een kooi was gestopt, was hij in een groot houten ding gestopt. Een ding dat stonk en op misselijkmakende manier schommelde.
Daarna was hij hierheen gebracht. Eerst naar de andere kamer met de andere dieren, daarna had iemand hem uit zijn kooi gehaald en in deze kleinere kooi gedaan en hier naar deze kamer gebracht. Tweebeners. Mensen. Maar ze roken ook naar iets anders.
Langzaam won Lavinia het vertrouwen van de jonge wolf. Ook zij was opgegroeid in de bergen, ook zij had haar wolvenfamilie verloren. Enigszins aarzelend volgde het beestje haar naar de kamer waar haar vrienden op haar wachten. De Panda had inmiddels de binnendeur op de voor hem vertrouwde manier geopend. Het ding lag nu in stukken in de volgende kamer. Ook hier zouden de gebroeders Melkor een nieuwe deur moeten laten monteren.
Een grote kist met een briefje erop was het enige andere voorwerp in de binnenkamer. Op het briefje stond dat deze kist was geconfisqueerd van ene Kunobertus de Rode, voor het niet betalen van een schuld. De kist stonk.
Lavinia liet uit voorzorg de jonge wolf achter in de eerste kamer. En terecht. De kist bleek vol met huiden. Huiden van beren, vossen, bevers maar ook wolven. De huiden waren slecht geconserveerd maar zo te zien nog redelijk vers. Bij het zien van haar woedende gezicht deden zelfs haar vrienden een stap achteruit. Ze was slechts 75 centimeter groot. Een halfling zonder zware wapens. Maar toch… Beter uit de buurt blijven.
Voor de compleetheid onderzochten ze ook nog de laatst overgebleven kamer. Hier stond merkwaardig genoeg een zoutwateraquarium van enige omvang met daarin een tweekoppige slak. Een grote tweekoppige slak. Tot de ongeregeldheden was het beest wel goed verzorgd. Er stonden boeken over zeeslakken in de kamer en er was voer en dergelijke. Maar ondertussen was het water voor een groot deel verdampt en de slak pissig.
Geef hem eens ongelijk.
Lavinia beloofde hem dat ze hem niet zou vergeten en dat hij spoedig weer in een omgeving zou
zijn waar hij een volwaardig slakken bestaan zou kunnen leiden. Ze verliet de kamer om de overige dieren te verzamelen, inclusief de krokodil die haar doorgaf dat hij droomde van een bestaan dobberend in een rivier met zo nu en dan een smakelijk hapje. Lavinia vermoedde dat de jonge mensenvrouw zijn baasje was geweest.
Zo ging de merkwaardige optocht naar buiten. Roofdieren, krokodil, kisten en een jonge wolf. De konijnen elk onder een arm van de panda. (Dit in verband met de hongerige blikken van de krokodil.) Nee, de wachter bij de ingang had niet gedronken, maar hij was nu wel degelijk aan een borrel toe.
Na de dieren op toepasselijke plaatsen te hebben losgelaten keerden de reisgenoten terug bij Meester Melkor. Deze was verheugd over zijn pakjes maar bedroefd over de geplunderde staat van zijn pakhuis. De persoonlijke bezittingen van zijn werknemers nam hij zolang onder zijn hoede evenals de boeken die onze helden hadden gevonden.
Het boek Trimera, zo legde hij uit, was een oud boek van wel tweeduizend jaar geleden. De baas van de Laatste Druppel, de kroeg in het riool, verzamelde pagina’s van het boek aangezien een volledig exemplaar nergens meer bestond. Konden ze trouwens het tweede, platte pakje naar hem toebrengen? Daar zaten wat pagina’s in. Dat beloofden ze.
De dieren in het pakhuis waren om verschillende redenen en bij verschillende personen in beslag genomen vlak voor de orkenrellen in de haven en het was altijd de bedoeling geweest om deze dieren ergens naartoe te brengen waar ze thuishoorden. Zo legde Gregorio uit. Daar was helaas dus even niets van gekomen. En van een reusachtige tweekoppige slak wist hij niets. Net zomin als van een krokodil. Wel was er vlak voor de rellen ingebroken in een paar kamers maar dat hadden ze nu niet kunnen onderzoeken.
En de steen. Tja, de Steen van het Noorden was eigenlijk volstrekt illegaal. Ze gebruikten hem om voedsel goed te houden, maar volgens de wetten van het land was het een te gevaarlijk voorwerp om te mogen bezitten. Wat dat betreft was het maar goed dat zij hem bij hem teruggebracht hadden. Met een tweede lijk in het pakhuis zou Stadswacht hem bij een nader onderzoek beslist gevonden hebben.
Voor hun diensten verleende Meester Melkor hen nog een kortingsbon. En daarna ging de groep dan eindelijk op weg naar een welverdiende nachtrust. De jonge wolf volgde Lavinia op de voet.

Epiloog

Daar kwam plotseling een jongen aangehold. Het was Zheng Li, de zoon van de ezelhandelaar.
“Meester Panda! Meester Panda!” hijgde hij.
“Een goede dag in de zegen van de Goden, jongeman,” antwoordde Grasshopper. “Waar kan ik je mee van dienst zijn?”

IMG_7959

“Mijn vader zegt dat ik me er niet mee mag bemoeien, maar ik kan het niet zo laten gebeuren. Wij zorgen goed voor onze dieren, he. We geven ze goed voer en fris water. En ik borstel ze tot hun vacht glanst. En elke dag laat ik de honden uit, en speel met ze.

IMG_8022

En vandaag was ik met ze bij het festivalterrein. Daar kwam een circus binnen, dat vind ik machtig mooi. Dus ik ging kijken naar de wagens.
Maar dat was verschrikkelijk! Die arme dieren in die kooien. Die beren hadden veel te weinig ruimte, de gestippelde kat was aan haar eigen staart aan het knagen. En die wolven! Hun vacht was vaal en je kunt hun ribben zien zitten.
Alsjeblieft, meester Panda. Je moet iets doen, mijn vader zegt dan wel dat het mijn zaken niet zijn maar…”
De panda was al onderweg. Als kleine(re) weerloze wezens mishandeld worden dan zal een pandamonnik ze altijd proberen te helpen. Trouwens, ook de halfling stelde al haar plannen bij en rende, na de jonge wolf toevertrouwd te hebben aan de jongen, achter Grasshopper aan.

IMG_7984
De rest kon niet anders dan volgen.

Wordt vervolgd!

Petra Schulein-Coret

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (7): Monsters op Misteiland”

9 maart 4476 Witte Tempeltijd

Prelude

Aan het eind van het vorige avontuur bevonden onze helden zich op verschillende locaties.

Als eerste was daar Guldan, de priester van de Vierde Broeder, op retraite in het klooster Swaenebeek. Hier hield hij zich bezig met van alles en nog wat: naast de gebruikelijke klusjes die alle bewoners van het klooster moesten doen deed hij ook onderzoek naar de oorzaak van zijn eeuwig natte voeten en kreeg lessen in geneeskunst zowel in theorie en praktijk. En dan vooral het genezen van dieren.

Zo trof de broeder portier op een ochtend een doorweekte hond aan vlakbij het klooster. Het was een donkerbruin exemplaar van het Zwarte Berghond ras. Deze  grote honden staan bekend om hun trouw en hun kracht en bovendien om hun grote voorliefde voor water. Ze kunnen dan ook heel goed zwemmen.

Deze hond in kwestie was zwaargewond en Guldan’s leraar vond het een goed idee om zijn leerling, die goede vooruitgang had gemaakt, voor dit dier te laten zorgen. Zijn naam was Max, volgens het plaatje op zijn halsband.

Guldan wist het dier er al snel weer bovenop te helpen, hetgeen een band kweekte tussen hen beiden. Waar Guldan ging, volgde Max.

Op een dag, – het liep tegen de ochtend-, was Guldan bezig om het laatste verband van de poot van Max te verwijderen, toen een jonge man het klooster kwam ingestrompeld. Hij zag eruit alsof hij achterwaarts door een stel braamstruiken was gevallen terwijl een kudde koeien over hem heen gallopeerde.  Hij had een buil ter grootte van een duivenei op zijn hoofd, overal schrammen en blauwe plekken en zijn enkel was twee keer zo dik als hij zijn moest. Hij droeg een zadel van goede kwaliteit over zijn schouder.

De jongeman stelde zich voor als Junker Ludwig von Kalteberg, jongste telg uit een adellijke, niet al te rijke familie uit het noorden van het land. Zijn vader was daar leenman van de Baron. Hij had het ouderlijk huis verlaten om zijn eigen fortuin en glorie te vergaren en was als karavaanwacht naar dit gebied gereisd.

Nadat de karavaan op zijn bestemming was aangekomen had hij besloten om naar Tuangith te gaan waar hij vast wel weer  werk kon vinden. Het was per slot van rekening de grootste haven stad van het land. Helaas was hij, toen hij op zoek was naar een herberg die niet al te ver weg moest zijn, -volgens de instructies van een oude boer-, hopeloos verdwaald. Misschien had hij een verkeerde afslag genomen, of de boer had het hem niet goed uitgelegd. Hoe dan ook, het was al een tijd na zonsondergang, en er was nog geen herberg in zicht. Bij gebrek aan beter bleef hij de oude weg maar volgen waarop hij reed, in de hoop dat er toch ergens een plek zou zijn waar hij kon overnachten. Een weg leg je niet zomaar aan, die gaat ergens naartoe. En mensen wonen vaak langs een weg.

Op dat moment trok er een dichte mist over het land. Een adembenemende koude mist die enigszins blauwig was.  Achter hem klonk het geluid van marchererende voeten.  Maar toen hij omkeek, zag hij niemand. Of wacht! Een kolonne soldaten dook op uit de mist. Maar het was overduidelijk dat dit geen normale soldaten waren. Dan weer waren het min of meer mensachtige gedaantes, dan weer waren het skeletten.

Voorop liepen drie mannen. De middelste was de commandant, met een wolvenvel, compleet met kop, over zijn schouder. Naast hem liepen een man met een grote hoorn en een met een drakenstandaard.

Deze drie draaiden hun hoofd naar de jonge edelman, die met zijn paard inmiddels aan de kant van de weg was gaan staan. Iets aan een van hen kwam Ludwig bekend voor. Was het een familielid? Waar kende hij dit gezicht toch van?

Maar voordat hij iets kon vragen, voordat de spookgedaante iets kon zeggen, besloot zijn paard dat het er genoeg van had. Het sloeg in paniek op hol. En Ludwig kon niets anders doen dan zich krampachtig vasthouden aan zijn zadel om niet met een harde klap op de grond terecht te komen.

Normaal gesproken was de jongeman een uitstekende ruiter, maar die nacht was het zijn paard die besloot waar ze heengingen. Dwars door de duistere nacht, langs bossen en velden, over heuvels en dalen.

Uiteindelijk raakte het paard vermoeid en minderde vaart. Het was kennelijk zo uitgeput dat het de uitstekende boomwortel niet zag en  hals over kop, met Ludwig op zijn rug, een helling vol struikgewas afduikelde. Ludwig vloog uit het zadel en rolde nog ettelijke meters verder tot hij met zijn hoofd iets raakte en het bewustzijn verloor.

Toen hij weer wakker werd, -hoeveel tijd er verstreken was sinds zijn val kon hij niet zeggen-, was het tegen de ochtend. Zijn arme paard had zijn nek gebroken en was niet meer te redden. Ludwig pakte zijn spullen en zijn zadel en strompelde richting een stel lichtjes in de verte.

Dat bleek het Swaenebeek klooster te zijn alwaar Guldan dus in retraite was. De jongeman liet zijn wonden verzorgen door Guldan en vertelde hem ondertussen wat hem was overkomen. Guldan realiseerde zich dat dit dezelfde spooksoldaten geweest moesten zijn die hij samen met de andere avonturiers had gezien en stelde Ludwig voor om met hem mee te gaan als hij met Max weer naar zijn vrienden ging.

////////////

Ondertussen brachten Lavinia en Sigurd een stuk aangenamer de avond door. Sigurd de Raaf had, zoals men zich nog wel zal herinneren, de halfling Lavinia uitgenodigd om een biertje te drinken in zijn favoriete kroeg. Lavinia keek wat wantrouwig naar het goudgele vocht in haar bierpul, rook er eens aan, nam een slok en spuugde hem meteen weer uit. Nee, bier was aan haar niet besteed. Gelukkig deed Sigurd daar niet moeilijk over. Hij dronk  eerst  zijn eigen bier op en daarna het bier van Lavinia, en voor haar verscheen een karaf koel bronwater.

In deze kroeg trad ook een bard op. Een jonge elvenvrouw, gekleed in blauwtinten, speelde op haar luit en zong mooie, spannende en grappige liedjes.

Haar naam was Samantha. Ze was nog niet zolang in deze stad en was, zoals barden over de hele wereld sinds het begin der tijden, op zoek naar nieuwe verhalen. Of op z’ n minst verhalen die nog niemand kende. Als je naam wilt maken als bard moet je je eigen liederen schrijven.

En dus had zij, in de afgelopen dagen, de grote bibliotheek bezocht in de Tempel van de Grote Godin op het Grote Plein.

Daar had zij, in de kantlijn van een oude gedichtenbundel,  een aantekening gevonden van een vorige eigenares. Deze had iets bijzonders meegemaakt in een herberg die “De Drie Nymphen” heette. Een spookachtige kolonne soldaten was op een nacht langs haar raam getrokken.

Samantha bedacht dat dat een goed begin was voor een nieuw lied en was vastbesloten er meer over te weten te komen. Haar eerste probleem was erachterkomen waar deze herberg precies lag.

‘s-Avonds had ze echter een optreden, want, tja, ze moest toch ook haar brood verdienen.

Zo kwam ze in contact met Lavinia en Sigurd. Toen ze een levendig dansnummer speelde kon Lavinia, die onvermoede talenten bleek te hebben, zich niet meer inhouden. Ze sprong op het podium en begon te dansen. En hoe! De bezoekers van de kroeg waren zeer enthousiast.

In de pauze raakten ze aan de praat. En zo vertelde Lavinia dat de rest van haar vrienden nog in de herberg “De Drie Nymphen” was. Hier wilde Samantha natuurlijk meer over weten en ze legde uit waarom maar Lavinia liet niet meer los dan ze wilde. Zo min mogelijk, namelijk.

En verder werd het nog een gezellige avond. Een zeer gezellige avond. Een bijzonder gezellige avond, om precies te zijn. Er doen verschillende verhalen de ronde over wat er die avond allemaal gebeurd is maar het is niet mijn plaats hier om daarover te berichten.

Het volstaat om te vertellen dat Samantha  zich vanaf toen bij onze helden heeft gevoegd.

11 maart: Hereniging in Tuangith

De reisgenoten hadden afgesproken elkaar weer te ontmoeten in Tuangith. En dus gingen diegenen die daar al waren eerst even langs de winkel van de gebroeders Melkor om nog een en ander in te slaan dan wel te verkopen. Daar, op het plein, stond de dwerg Sigurd de Raaf die Lavinia wenkte en haar een sleutel gaf die volgens hem op de ingang van het riool zou moeten passen ergens op het plein. De Tempel ging kennelijk wat slordig om met de reserve sleutels en deze zouden ze vast niet missen.

Ondertussen waren de anderen aangekomen bij de Zuidpoort van de stad. Hier bevonden zich de stallen. Men had het plan opgevat om maar eens een paar muilezels te kopen en twee karren, zodat ze alle zooi die ze op hun avonturen verzamelden konden meeslepen. En om dit alles te beschermen waren ook twee waakhonden nodig.

Nadat iedereen had kennis gemaakt met de nieuwe leden van de groep, – de krijger/ranger Ludwig en de bard Samantha ( en niet te vergeten de hond Max, een donkerbruine hond van enorm formaat) togen ze naar de ezelhandelaar.

Deze man was duidelijk niet geboren in deze stad. Hij had het uiterlijk van een bewoner van het Kleine Continent, de plek waar Grasshopper ook vandaan kwam.

Desondanks was de panda monnik nogal verbaasd toen de man en zijn jonge zoon diep voor hem bogen en hem begroetten in zijn eigen taal.

“Moge U een gezegende dag hebben, Meester Panda,” zei de handelaar.

“Een gezegende dag teruggewenst, ” antwoordde Grasshopper.

De man stelde zich voor als Zheng Hu en zijn zoon heette Zheng Li. Hij verkocht de groep twee muilezels, -genaamd Jehosafat en Zebedeus-, en bood hen de keus tussen vier honden die speciaal getraind waren voor de bewaking. Lavinia bekeek de honden goed en besloot dat Hektor en Zani het best geschikt waren voor deze taak.

Maar de eerste dagen zouden ze de nieuw aangeschafte dieren niet kunnen gebruiken. Ze hadden immers nog wat af te handelen op een eiland, om het probleem van de natte voeten op te lossen. De ezelhandelaar toonde zich bereid om voor een kleine vergoeding op het spul te passen.

Dit keer was het de panda monnik die voor zijn landgenoten boog en hen in hun eigen taal  een goede dag wenste.

” Moge Uw dag stormvrij verlopen en moge U de zegen en bescherming genieten van goedaardige draken,” Of woorden van die strekking. Ja, in het Kleine Continent konden begroetingen nogal lang duren.

Nu moesten ze nog een boot zien te regelen en, -niet onbelangrijk-, de lokatie van het eiland van de klokkenmaker zien te achterhalen. Op de achterkant van de waterklok, – afwisselend gesjouwd door steeds twee andere sterke leden van de groep-, stond immers dat alleen de klokkenmaker de boel kon herstellen en het magisch veld weer in balans kon krijgen. Grasshopper, Guldan en Saruman waren het inmiddels meer dan zat om steeds maar weer met natte voeten rond te lopen.

De haven leek hen de beste plek om te beginnen. Daar waren de ongeregeldheden inmiddels afgelopen, hoewel er nog steeds gebieden afgezet waren en stadswachters de boel bewaakten. Er was hier en daar wat brandschade en er lag nog wat puin maar de bewoners van het haven gebied waren al weer aan het opruimen.

Aangezien de avonturiers onbekend waren met deze wijk doken ze de eerste de beste kroeg in die ze maar konden vinden. De Lachende Makreel.

Daar bestelden ze bij de bareigenaar maar eerst een pot bier voor henzelf (en bronwater voor Lavinia en Max). Saruman probeerde nog wat salade te bestellen voor zijn hongerige kever maar Siegfried, de barman, keek hem aan of hij water zag branden.

Salade? Groente? Dit was een kroeg. Hij kon bier krijgen, of aardappelpuree.  Of vis, in overvloed. Of desnoods, hmmf, bronwater. Maar als het echt moest dan was de tuin van de buurman overwoekerd met onkruid. Daar kon het beest zijn gang gaan.

Voor de route naar het eiland van de klokkenmaker, -het eiland met de achthoekige tempel, om precies te zijn-,  verwees hij hen naar een visser die achterin de zaak zat. Normaal gesproken kon deze Gunnar hen daar ook naartoe brengen maar hij had in het opstootje in de haven zijn been gebroken. Maar hij was de enige die de weg naar het eiland wist. Dit eiland, door de plaatselijke bevolking ook wel Misteiland genoemd, was zeer slecht bereikbaar. Het lag op zich niet ver van de haven in de grote baai. Door onderzeese kliffen en de restanten van een oude brug die in de loop van de eeuwen was ingestort was het er nogal gevaarlijk. En ook vanwege de eeuwigdurende mist die er hing en die navigeren moeizaam maakte. En dan waren er nog de vleesetende vissen.

De visser achterin de kroeg keerde zojuist zijn bierpul om boven zijn mond in de vergeefse hoop dat er nog wat in zat.

Daarom kocht Samantha een nieuwe, volle, bierpul en zette die met haar meest charmante glimlach voor de man op tafel. Hij had trouwens ook nog een verband om zijn hoofd.

“Alsjeblieft, beste man,” zei Samantha, “Volgens Siegfried de bar eigenaar bent U goed bekend met dit gebied. U heeft vast al heel wat interessante dingen meegemaakt.”

“Jazeker,” glunderde de visser, blij met de aandacht van deze lieftallige elf, “Er was die keer dat ik zo’n grote makreel had gevangen.” En hij wees een grootte aan die de reizigers volstrekt onwaarschijnlijk leek. Dat moet in hun ogen te zien zijn geweest. Ze waren intussen ook bij zijn tafeltje gaan staan.

“Ahem, ” zei de visser, wellicht ietwat teleurgesteld dat de jongedame niet alleen was.

“Tja, ik ken deze wateren goed,” zuchtte hij, na een slok van zijn bier. “Wat wil je precies weten?”

De reisgenoten legden uit dat ze op zoek waren naar een eiland met een achthoekige tempel, een eiland dat volgens de bareigenaar Misteiland heette.

“Ja, dat eiland ken ik wel,” antwoordde Gunnar de visser, ” Ik ben waarschijnlijk een van de weinigen, zo niet de enige, die daar veilig naartoe kan varen. Normaal gesproken zou ik dat best willen doen, maar ja…” En hij wees naar zijn gespalkte been en het verband om zijn hoofd.

“Van de trap gevallen,” legde de man met een strak gezicht uit als reactie op de vragende blik van Guldan.

“Ik ben  ooit eens een weddenschap aangegaan, in mijn jonge jaren. Voor een vaatje bier.

Ik moest naar het Misteiland en daar bidden in de tempel van  de Vierde Zuster, de zeegodin. Heeft me heel wat tijd gekost, en twee bootjes, om erachter te komen hoe je daar moest komen. Gelukkig kan ik goed zwemmen.”

“Maar kunt U dan niet een kaart tekenen, hoe we daar moeten komen?” vroeg Amaril, de zee elf.

“Dat kan ik zeker, als jij hem kunt lezen. Maar dan hebben jullie ook nog een boot nodig zeker?”

Guldan knikte.

Het bleek dat de man best zij vissersboot wilde verhuren aan de avonturiers. Voor een zeer schappelijke prijs ook nog eens. Maar 15 zilverstukken.

“Afgesproken,” sorak Guldan en telde alvast 15 zilverstukken uit.

“En honderd gouden ducaten borg, ” vervolgde de visser.

“Honderd ducaten? Is dat niet een beetje veel?”

“Luistert, ” zei Gunnar, ” Die boot is mijn levensonderhoud. Als jullie hem zoekmaken, of ermee vandoor gaan dan ben ik mijn bron van inkomsten kwijt. En met die honderd ducaten kan ik dan een nieuwe kopen.”

Dat klonk op zich redelijk. Niettegenstaande wilden Guldan en Amaril de boot eerst zien voor ze akkoord gingen. De man gaf hen de lokatie en de naam van zijn boot en na een korte inspectie, – het was een oude, maar goed onderhouden boot die volkomen zeewaardig was-, gingen de twee terug naar de Lachende Makreel en overhandigden de man zijn borg.

Het was voor het eerst dat de zee elf zijn zeemanskunsten moest vertonen zonder het toezicht van de oude schipper die hem kort geleden zijn eerste lessen had gegeven. Uiterlijk deed hij alsof het hem moeiteloos afging, maar niettemin ontstonden er toch wat zweetplekken onder zijn oksels.

Tonk.

Tonk? Wat was dat? Een rots die hij gemist had? De bovenkant van een van de pilaren van de oude brug die het eiland ooit met het vasteland had verbonden? Was er schade?

Oh, gelukkig, het was maar wat wrakhout. Een stuk afgebroken mast, zo te zien. Er lagen nogal wat stukken wrakhout in het water.

Max de hond hing zo ongeveer met zijn kop in het water en genoot enorm. Guldan hield hem stevig vast, want hoewel Max, als Zwarte Berghond, uitstekend kon zwemmen, waren hier vleesetende vissen volgens de visser en de bareigenaar. Beter geen risico nemen. Ook het draakje van Moreta had de grootst mogelijke lol. Hij zat op het puntje van de boeg en flapperde met zijn vleugels.

Gandalf de kever, daarentegen, had het niet zo op water. En bootjes. En dat gewiebel door de golven. Hij zat op de bodem van de boot, vlakbij zijn meester. En hij zag groen. En geloof me, dat is niet de juiste kleur voor een reuze hertshoorn kever.

Terwijl ze om het eiland heen voeren om bij de aanlegplaats in het westen te komen, die volgens de kaart van  de visser Gunnar de veiligste plek was om aan land te gaan, ontdekte Ludwig tusen de slierten mist een enorme grot aan de noordkant. Vroeger was het ongetwijfeld een goede plek om naar het hart van het eiland  te varen, maar zo te zien was vrij recentelijk de boel ingestort. Wellicht vanwege de aardbeving van een week of zo geleden.

Naarmate ze het eiland naderden bleek waarom het eiland de naam Misteiland had. Er stegen aan alle kanten lange slierten witte stoom, of iets dergelijks, op. Amaril slaagde erin, na enig manouvreer werk de boot veilig aan de steiger te leggen. De groep ging aan land.

IMG_9329

Het zicht was uiterst beperkt. Stoom en zwaveldampen verhulden het merendeel van het eiland. Ergens uit de mist klonk een stem. Het was niet helemaal duidelijk in welke taal hij sprak, of liever schreeuwde, maar er klonk duidelijk paniek in door.

Vlakbij de aanlegplaats vonden de reizigers een opgedroogde fontein. Ooit moest er uit een monsterachtige bronzen kop water gestroomd hebben in een ondiep basin, maar nu was alles droog en was de bodem bedekt met mos. Drie kleine treetjes leidden naar de bodem en de halfling Lavinia onderzocht waar het geglinster tussen het mos vandaan kwam. Het waren munten, voornamelijk brons maar er zat ook wat zilver en goud tussen. Even werd nog overwogen om de munten mee te nemen, maar al gauw werd daar van af gezien. Ze waren hier notabene om een vloek die een god hen had opgelegd te laten opheffen. Het was dan wellicht niet handig om een andere god of godin boos te maken.

Tegenover het basin met de muntjes stond een tempel. Nou ja, wat er van over was dan. Lavinia onderzocht de gesloten deuren en probeerde die te openen. Ze werd daarbij gestoord door de uitroep van de panda monnik.

“Ik ben al binnen hoor!”

Grasshopper was namelijk omgelopen en had ontdekt dat naast het dak ook een aantal muren waren ingestort en  hij was simpelweg over de brokstukken naar binnen gelopen. Desondanks ging Lavinia hardnekkig door met het openen van het slot. Het was een principe kwestie, zullen we maar zeggen.

IMG_7677

In de tempel viel verder weinig te ontdekken. Tegen een achtermuur, die nog redelijk intact was hingen allerlei plaatjes van aardewerk met daarop woorden in een taal die de meeste van onze helden niet konden lezen. Grasshopper deed zijn uiterste best  om zich te herinneren wat hij ooit, als tot op het bot toe verveelde panda tiener, had geleerd over de taal van het Oude Keizerrijk. De woorden  ‘dank’ en ‘bedankt’ kwamen steeds opnieuw voor op de tabletten, samen met de naam van de zeegodin. Ongetwijfeld enorm interessant voor archeologen en andersoortige geleerden maar niet voor onze helden.

Achter de tempel bevonden zich nog wat gebouwtjes. Hopelijk bevond zich daar ook een trap naar het volgende niveau van de tempel want anders moesten ze een manier verzinnen om tegen een steile helling op te komen. En dat zou, zeker vanwege het feit dat ze ook nog een zware waterklok met zich meesjouwden, niet echt makkelijk zijn.

Na het openen van de eerste deur, – een gezamelijke inspanning van halfling en panda, de scharnieren stonden immers stijf van de roest-, bleek het zich hier om een gasten verblijf te gaan. Er stonden bedden en kasten en dergelijken. Allemaal zeer oud en stoffig. Achter een kast lag nog een halssierraad dat iemand verloren moest zijn en op een tafeltje lag een boek met een vaag magisch aura. Dit was het gastenboek, dat destijds zorgzaam was voorzien van een magische bezwering die het minstens tweehonderd jaar tegen bederf zou beschermen. Die spreuk was echter al minstens vijftien honderd jaar geleden afgelopen, dus het boek verkruimelde zo ongeveer waar ze bijstonden.

IMG_7710

Achter deur nummer twee vonden ze opnieuw een soort slaapkamer, maar de strooien matrassen die hier lagen waren vrij nieuw. Er waren dus nog anderen op dit eiland. Desgevraagd bleek dat Max, wiens neus het niet altijd even goed deed, al een tijdje iets rook. En dan bedoel ik iets anders dan zwavel, zeelucht en de verschillende geurtjes van de leden van de groep. Lavinia knikte instemmend bij deze mededeling. De neus van deze halfling, opgevoed bij de wolven, deed het kennelijk erg goed.

Er was nog een tweede deur in deze kamer met een slot dat eveneens vrij nieuw was. Hierachter was een trap omhoog. Lavinia deed haar donkerblauwe brilletje op, gevonden bij het lichaam van de oude gnoom, en sloop de gang in. Zo kon ze uitstekend in het donker zien en toch onopgemerkt blijven, daar waar enkele anderen een lantaarn nodig hadden.

Na enig gefrummeld aan het slot op de volgende deur klonk er het geluid van iets dat over haar hoofd heen vloog en ‘pok, pok, pok’ deed. Hmmm… Maar goed dat ze niet zo groot was. In het licht van de lantaarn bleek dat er drie venijnig scherpe pijltjes op de grond achter haar lagen. De jonge Ludwig die de lantaarn droeg besloot ter plekke om maar nooit achter haar te gaan staan als ze een slot aan het openmaken was. Hij was een stuk langer, en een stuk breder, dan zij en die pijlen zouden hem beslist getroffen hebben.

Nu betraden ze een brug over een diepe afgrond waar stinkende zwaveldampen uitkwamen. Niet al te lang blijven hier.

Ook de deur aan de andere kant bleek op slot te zitten. Lavinia ging aan het werk.  Om de een of andere reden vond Ludwig het nodig om zich hier zo klein mogelijk te maken. Het slot was ingewikkeld en plotseling voelde Lavinia iets prikken. Meteen daarna werd haar vinger gevoelloos. Oeps! Gif!

Gelukkig bleek Guldan nog wel wat te hebben om het gif te neutraliseren. Maar goed ook, ze had bij haar werk al haar vingers nodig.

Opnieuw een lange, donkere  gang met aan het eind een deur. Achter die deur was het geluid van  stemmen waar te nemen. En de geur van ongewassenheid. Verregaande ongewassenheid. Bah, jakkes!

IMG_7707

Volgens de beide elvendames was er iets magisch aan de deur. Ze konden alleen niet ontdekken wat. Het kleine draakje van Moreta wist het wel. Het was ‘gewoon’ een spreuk die magische projectielen liet afgaan. Niets bijzonders toch? En hij ging verder met het besnuffelen van de rugzak van de elven bard. Rook hij nou koekjes?

Amaril bood zich aan om de klap op te vangen. Meer konden ze er immers niet tegen doen. Door de open deur stroomde verblindend daglicht naar binnen. Ze waren opnieuw in een tempel zonder dak aangekomen, iets groter dan de vorige. Daar hielden twee mannen met bogen de wacht terwijl een derde achter in de tempel aan het graven was. Lavinia sloop door de schaduwen en verborg zich achter een pilaar, met haar dolken in de aanslag.

De drie mannen, die zo te zien inderdaad al een hele tijd niet in bad waren geweest, keken verstoord op van hun activiteiten,

“He, wat moet dat?”, riep een van hen, die een soort van kaart bij zich had. “Die schat is van ons, daar blijf je mooi af!”

IMG_7683

En vanaf dat moment liep alles in het honderd voor de schatgravers. De man met de kaart kreeg wat dolken in zijn buik, de man in het gat eveneens. De derde man die wegliep om hulp te halen werd gevloerd door de jonge Ludwig en deed daarna niet veel meer.

Verbazend genoeg besloten de reizigers om de schatgravers in leven te laten. Nou, ja, twee van hen dan. De man in het gat had het niet overleefd.

De man met de kaart werd ondervraagd over het hoe en waarom van hun acties. Hij legde uit dat hij en zijn maten,- en dat waren er wel tien, nou ja acht, of toch tenminste zes-, op zoek waren naar een schat die ergens op dit eiland begraven moest zijn. Het was alleen niet erg helder waar. De kaart die hij liet zien was dan ook bijzonder vaag. Het had elke tempel kunnen zijn op elk willekeurig eiland.

De schurken werden vastgebonden. En het gezelschap ging verder. Door de bronzen deuren naar het bovenste deel van het eiland. Ludwig nam nog even de schop mee die de man in het gat had gebruikt. Die ontbrak nog aan zijn vrijwel complete uitrusting. Afgezonderd van de gootsteen dan.

Nu was het geluid van de angstige stem goed te horen. En Moreta herkende de taal als de Orkentaal. Maar veel was er niet te zien. Het zicht was ook hier zeer beperkt vanwege de alomaanwezige  slierten rook en zwavel damp.

Naarmate ze verder liepen langs de wat zielige bomen die als spoken opdoken uit de nevelen kwam een enorme tempel in zicht waarvan het achterste deel zo te zien samen met een deel van het eiland in zee was gestort. Vlak daarvoor lag een smalle brug naar het noorden over een diepe kloof waar onafgebroken stoom en zwavel gas omhoog kringelde. Naast de geur van zwavel was ook hier de geur van ongewassen wezens erg sterk.

Lavinia stak ( natuurlijk) als eerste de brug over en aanschouwde een vreemd tafereel. Een, zo te zien vrij jonge ork, met een bezem stond op een afgebrokkelde muur en verdedigde zich met een bezem tegen een aantal ongure types. Het waren ongetwijfeld de kornuiten van de drie schurken die in de vorige tempel aan het graven waren geweest. Gek genoeg rook de ork naar zeep en schoonmaakmiddel en de mensen die hem met een touw probeerden te vangen naar zweet en andere onaangename zaken.

De jonge ork riep luidkeels om hulp in zijn eigen taal, terwijl de niet al te slim uitziende baas van de  groep schatzoekers hem in de (mensen)taal van het land steeds maar weer vroeg waar de schatten waren.  De helden besloten de ork te gaan helpen.

Na enig manouvreer werk om in de juiste positie te komen kon het gevecht beginnen. De groep splitste zich grofweg in drieen. De ene groep linksom, de andere rechtsom en Lavinia en Amaril door het midden. Amaril probeerde om zich met een behendige sprong boven op de resten van het achthoekige gebouwtje te positioneren. Ehmmm. De sprong lukte niet echt en de zee elf raakte bijna zijn voortanden kwijt. Maar he, dat had toch niemand gezien. Toch?

IMG_7700

Met behulp van een touw ging het een stuk beter.

De schurken verdedigden zich aardig maar kon uiteindelijk niet op tegen de dappere avonturiers. Zeker niet nadat ons draakje een van zijn vele spreuken losliet op de man die de jonge ork in bedwang hield. Plotseling zag de man alleen nog maar sterretjes. Ter geruststellling: dat duurde niet lang. Max, de hond, bleek over gevechtservaring te beschikken. Hij greep de schurken bij de keel als hij de kans kreeg en hield flink huis.

Ook hier besloten de reisgenoten een van de schurken gevangen te nemen. Hij vertelde dat ze een groep smokkelaars waren die op het eiland naar kostbaarheden aan het zoeken waren. Tot nu toe hadden ze eigenlijk niets gevonden.

De jonge ork met de bezem legde ondertussen trots uit aan de elven tovenares dat zijn naam Grosh was en dat hij de leerling was van de Klokkenmaker. De klokkenmaker  woonde hier beneden. Helemaal beneden. Via een luik in de vloer kon je in de tempel komen. Dat luik zat echter op slot. Hij had het zelf op slot gedaan. Tijdens het aanvegen van de bovenste verdieping was hij in zijn werk gestoord door een stel orken. Dit waren geen aardige orken. Ze bedreigden hem en aangezien ze tussen hem en de trap naar beneden stonden kon hij alleen maar naar boven.

IMG_7694

Haastig had hij het luik gesloten in de wetenschap dat zijn Meester de orken wel aankon. Helaas voor hem was hij toen de smokkelaars tegengekomen en was hij maar weer teruggerend naar het luik. Misschien dat de orken en de smokkelaars elkaar dan zouden uitroeien terwijl hij zich in een zijkamertje verborg.

Maar waar was de sleutel? Aan de overkant van de brug had hij hem nog gehad en nu was hij hem kwijt. Hij zat als een rat in de val want aan de noordkant van het achthoekige gebouwtje was slechts een diepe afgrond. Daar beneden was de zee en allerlei moordlustige wezens die een sappig hapje ork niet zouden versmaden.

Grosh wist niet precies waar hij de sleutel was verloren en dus gingen de avonturiers op zoek. Zonder Lavinia dan, die eens goed keek naar het slot. Het was er een die ze nog niet zo vaak had gezien en bijzonder ingewikkeld. Het kostte haar behoorlijk wat moeite maar uiteindelijk lukte het.

“Hou maar op met zoeken!,” riep ze, “We kunnen naar binnen.”

Heel stilletjes slopen de reisgenoten naar binnen. Grosh bleef liever boven. Hij was niet zo’n strijdlustige ork.

Er waren vier deuren in de volgende ruimte. Een daarvan was ooit de slaapkamer van priesteressen van de tempel. De andere was het verblijf van de opperpriesteres. Eensgezind bleven de helden van de bezittingen van deze, waarschijnlijk reeds lang overleden priesteressen af. Zoals gezegd: ze waren hier om een vloek op te lossen, niet om er een bij te krijgen.

IMG_7716

Na ook nog  eens het kleinste kamertje te hebben onderzocht, ( iemand had hier ooit twee verschillende oorbellen verloren) deden ze de laatste deur open.

Orken!

Een stuk of acht groenhuiden, geleid door een gemeen uitziende half-ork,  waren de boel aan het plunderen. Daar hielden ze snel mee op toen de reizigers de aanval inzetten. De ruimte was niet erg groot, en volgestapeld met kisten en vazen vol kostbaarheden. In het midden stond een beeld van een voluptueuze vrouw met blond haar en blauwe gewaden. Het leek alsof ze op de golven stond.

IMG_9389

“Dat is het beeld van de zeegodin!”, zei Guldan die Max vooruit stuurde in de richting van een vrouwelijke ork met een slecht gebit. Dat van Max was, zoals bleek, een stuk beter. Lavinia en Ludwig voegden zich bij hen.

Aan de andere kant blies het draakje een wolk gas uit in de gezichten van wat orken boogschutters. Met bijzonder effect. Twee van hen zakten op de grond van het lachen, en hun collega’s stonden er wat wezenloos bij. Een beetje alsof ze iets gezien hadden wat heel erg grappig was maar wat ze niet helemaal snapten.

Saruman maakte misbruik van de situatie door  zijn kever op hen af te sturen. Deze kan goed stampen, zoals al in vorige avonturen is gebleken. Helaas stond daar ook de half ork die met zijn goedendag de kever bijna platsloeg. Haastig riep Saruman zijn geliefde kever terug.

Amaril en Samantha namen zijn plaats in.

En zo ging het verder. Halverwege het gevecht keek een van onze helden toevallig eens naar het beeld. Ineens voelde hij zich beter dan daarvoor. Het leek alsof het vriendelijk glimlachende beeld hem nieuwe energie had gegeven. De andere reizigers, en ook de kever, voelden eveneens hun wonden genezen nadat ze naar het beeld keken.

Uiteindelijk was dan de laatste ork verslagen. De halfork was bijzonder taai.

IMG_7724

Kort onderzochten de leden van de groep het heiligdom. Opnieuw besloten ze niets mee te nemen. Hoewel die vaas vol met parels wel aantrekkelijk was. Zou het echt erg zijn als ze wat meenamen? Nee, niet doen. Ze kwamen hier voor de klok.

Dat dat een goede beslissing was bleek toen ze een vrouwelijke stem in hun hoofd hoorden.

“Heiligschenners in mijn tempel! Ik wil hun lijken hier niet hebben. Wie ze verwijdert zal een beloning krijgen.”

“Waar moeten we ze dan laten?”, vroeg Guldan.

“Gooi ze in zee, dan lossen mijn haaien dat wel op.”

Zo gezegd, zo gedaan. De waterklok werd even geparkeerd bij de wenteltrap en iedereen hielp met het naar boven sjouwen van de orken lijken. Daarna gingen ze nog even terug om ook de lijken van de smokkelaars in zee te gooien waarbij hun gevangenen hen angstig aankeken.

 

Eenmaal terug bij het beeld deelde de zeegodin, -want ja, dat was degene die hen had aangesproken-,  hen mede dat als ze een buidel hadden, of iets wat waterdicht was, dan zou een van haar dolfijnen hem gevuld weer terug brengen als ze op volle zee waren.

Grosh bood aan om de avonturiers naar Ogdoa de klokkenmaker te brengen. Langs de wenteltrap naar beneden, ging het. Een heel eind naar beneden. Ze werden er zowat duizelig van.

“Stop!”, riep Grosh ineens. “Er ontbreekt een stuk trap. Iemand heeft de schakelaar omgezet.”

Er was een gat van een meter of drie waar ze onmogelijk over heen konden springen. Zeker niet met een loodzware waterklok.

De tovenaar vroeg of de schakelaar zwaar was. Dat bleek niet het geval.

“Dan kan een kever hem ook omzetten.” concludeerde hij. “Of een draakje,” zei Moreta.

De kever vloog door het duister en landde boven op de schakelaar waarna een voor een ‘n stel treden uit de muur schoven. Het was geen goede plek voor lieden met hoogtevrees, mar onze helden kwamen dan toch aan in een enorm grote grot die voor het merendeel onder water stond.

Midden in de grot lag de helft van een groot schip halfverzonken onder het water. Een smal pad leidde rondom het water en aan de noordkant was ooit een opening geweest die nu versperd was door grote rotsblokken. Langs de wanden stonden bovendien kisten, vaatjes en iets wat op balen katoen leek.

“Mijnheer de Klokkenmaker,” riep Moreta, “Mijnheer Ogdoa!”

“Ja, ja ,ja,” klonk uit het water, ” Ik heb jullie al gezien. Weer die waterklok? Dat is de vijfde keer in vijftienhonderd jaar. Instructies niet gelezen zeker? Zijn toch duidelijk genoeg.”

“Kennelijk niet,” mompelde Lavinia zachtjes.

Uit het water kwam een enorme inktvis omhoog. Met een brilletje, dat wel.

“Wat?,” zei de octopus, “Kan een octopus geen klokkenmaker zijn? Het is niet alsof ik ooit tegen een god heb gezegd dat hij me niet zo moest opjagen omdat ik ook maar gewoon twee handen had. Dat zou heel onverstandig zijn geweest. Heel onverstandig. Grmmbll.”

IMG_7727

Hij zwom wat dichter naar de helden toe en pakte met drie tentakels de wateklok op alsof het een veertje was.

“Ik weet het goed gemaakt,” vervolgde de klokkenmaker, “Ik zorg ervoor dat het met die klok in orde komt en dan zorgen jullie ervoor dat ik weer naar zee kan. Met die rotsblokken voor de ingang zit ik opgesloten. En dan mogen jullie ook nog eens alles hebben wat jullie in het wrak kunnen vinden.”

Hoe moesten de avonturiers dat voor elkaar krijgen? Lavinia probeerde nog wat met haar altijd scherpe dolk maar dat zou te lang gaan duren. Wat lag er verder nog in deze grot dat ze konden gebruiken? De vaatjes langs de kant bleken gevuld met perziklikeur. Dat was vast brandbaar. En in het wrak vonden ze,  naast het logboek van de kapitein, een merkwaardige pijl die in een glazen kistje had gezeten dat nu verbrijzeld was. Volgens Moreta, die wel wat wist van alchemie, was het een exploderende pijl. Hmmm.

Maar konden ze de vaatjes perziklikeur niet doen ontploffen door middel van een spreuk van de tovenaar Saruman? Tot nu toe had hij zijn vuur spreuken niet durven te gebruiken uit angst dat het in combinatie met de zwaveldampen een enorme explosie zou geven. ( Zijn zwaveldampen eigenlijk wel brandbaar?) Maar hier was geen zwavel.

Bovendien deed zich de vraag voor hoeveel vaatjes ze dan moesten gebruiken. Hoeveel was genoeg? Guldan pleitte ervoor om slechts zes van de zeven vaatjes neer te zetten. Dat moest toch voldoende zijn. Meester Ogdoa, de klokkenmaker bood hen aan om in zijn werkplaats te schuilen voor de explosie.

Saruman bereidde zich voor op zijn belangrijke taak. In zijn hoofd herhaalde hij nog eens de magische woorden en de bijbehorende gebaren. Daar begon hij. De helden hielden hun handen voor hun oren en zetten zich schrap.

Sizzel. Pffft.

Oeps! Er gebeurde niets. Saruman lachte wat schaapachtig naar zijn vrienden.

IMG_7689

Dan toch maar de explosieve pijl gebruiken. Lavinia bleek de beste boogschutter en schoot de pijl vakkundig in een van de middelste vaatjes. Een enorme explosie volgde die de grot op zijn grondvesten deed trillen. Was  de perziklikeur inderdaad explosief, of was alleen die pijl genoeg geweest? We zullen het nooit weten.

Nadat het stof was opgetrokken kwamen de helden weer tevoorschijn uit de werkplaats van mijnheer Ogdoa om het resultaat te belijken. De opening was niet heel erg groot maar volgens de octopus ruim groot genoeg om door naar buiten te zwemmen.

Een paar van de avonturiers wilden ook nog de andere helft van het wrak bekijken maar waren wat huiverig om dat te doen in de aanwezigheid van al die haaien die bezig waren om de dode orken en smokkelaars te verorberen. Het water kolkte met bloed en scherpe haaientanden.

De octopus verzekerde hen echter dat de haaien met hem in de buurt geen probleem zouden zijn. Grijnste hij er nou bij? Kunnen octopi grijnzen?

Hoe dan ook, in het andere deel van het wrak was niet veel te vinden. Wat lijken in verregaande staat van ontbinding. Waarschijnlijk de bemanning die een paar weken geleden omgekomen was toen het plafond van de grot op hun schip neerstortte.

Meester Ogdoa verzekerde hen ervan dat het probleem van de natte voeten voorbij zou zijn voordat ze het vasteland zouden bereiken. En dus vertrokken de helden weer richting de boot. Even deed zich de vraag voor hoe ze hun gevangenen moesten vervoeren, maar ze bleken een eigen roeiboot te hebben. Nou ja, het was ooit een roeiboot geweest. Laten we zeggen dat het ding nog dobberde maar daar was dan ook alles mee gezegd. Gelukkig hadden ze op aanraden van de visser een emmer meegenomen, ( voor het geval ze nog wilden vissen onderweg), die kon gebruikt worden om tijdens de tocht het water weg te scheppen dat steeds weer door de gaten van het bootje kwam.

De orken hadden kennelijk geen boot. Volgens Grosh, de jonge ork, hadden ze waarschijnlijk schipbreuk geleden in de storm van vannacht.

De helden bonden het lekke roeibootje achter de vissersboot en togen weer naar de haven. (Maar eerst wilde Moreta nog even kijken bij de resten van de brug aan de zuidkant. Daar zouden volgens de jonge ork nog wel eens zeemeerminnen zitten. En de schubben van deze wezens had zij nodig voor een drankje.)

Afijn, halverwege de tocht dook er plotseling een dolfijn op met de buidel die ze aan de godin hadden gegeven. Vol met zoutwaterparels. Een mazzeltje.

IMG_9344

Tuangith

Toen ze de haven naderden merkten ze op dat alle vlaggen in de stad halfstok hingen. Wat was er aan de hand?

De havenmeester aan wie ze het lekke bootje verpatsten vertelde hen het vreselijke nieuws. De koning was dood. Vermoord! Samen met de rest van de bewoners van kasteel Aris, dat zich iets ten noorden van de stad bevond.

“Ook de troonopvolgers?” vroeg Moreta.

“Waarschijnlijk wel, ” antwoordden de man, ” Het is moeilijk te zeggen. De meeste lichamen schijnen voor een groot deel verbrand te zijn. De koning hebben ze herkend aan de botbreuken die hij ooit gehad heeft, maar ja, niet iedereen kon zo geidentificeerd worden. ”

“De koningin en de prinsjes niet dus,” zei de elven sorceress.

De haven meester voegde nog toe dat het vreemde was dat de poorten van het kasteel van binnen gesloten waren en dat de Koninklijke Elite de boel aan het onderzoeken was.

“En wie regeert het land dan nu?” vroeg Moreta.

“In eerste instantie de Raad der Ouderen, ” zei de havenmeester, “En verder zijn er twee kandidaten voor de Griffioenstroon. Als eerste de zuster van de koning en als tweede zijn oom, de broer van de vorige koning.”

Nadat de helden de vissersboot weer hadden teruggegeven aan Gunnar en hun borg hadden teruggekregen leverden ze de smokkelaars uit aan de eerste de beste sergeant van de stadswacht die ze tegenkwamen. De man beloofde dat hij ze zorgvuldig zou opsluiten.

Bij de orks namelijk die een paar dagen geleden nog de haven onveilig hadden gemaakt. Hij legde uit dat het dit jaar verkiezingstijd was in het Koninkrijk der Duizend Eilanden. Ze kozen dan een nieuwe Hoge Koning. Volgens een van de weinige wetten die dat koninkrijk had mocht er dan niet in het koninkrijk gevochten worden.

“Maar ja, de haven van Tuangith is natuurlijk geen onderdeel van het Koninkrijk  der Duizend Eilanden, duss…”

De man zuchtte diep. “We proberen dan altijd om ervoor te zorgen dat er niet meer dan een orkenschip in de haven is, maar dat is dus even fout gegaan.”

Ondertussen bekommerden Guldan en Lavinia zich om de hond Max, die wel heel erg triest keek. Lavinia wist te achterhalen dat de hond dacht aan zijn vorige baasje. Twee beelden kwamen bij de hond op. Een beeld van een lachende man die de hond aaide en met hem speelde. En een tweede beeld waarin diezelfde man met beide handen de kop van Max vastpakte en zei: “Bescherm hen.”

Over wie de man het had was niet duidelijk.

En zo togen de reisgenoten de stad in op zoek naar een warme maaltijd en een zacht bed.

Wordt vervolgd….

En oh ja, de natte voeten van drie van de helden waren eindelijk droog. En op het Misteiland nestelde mijnheer Ogdoa de octopus zich behaaglijk in het door de helden leeggeruimde wrak terwijl boven Grosh de ork tevreden fluitend, of wat daar voor door ging, de gangen van de tempel ontdeed van de vieze voetafdrukken van zijn soortgenoten. Orde en netheid. Daar ging hij voor.

Petra Schulein Coret

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (6): Stank en slijm in het Riool”

8 maart  4476 Witte Tempeltijd

 De Stad

 Deze ochtend zaten onze avonturiers wat lodderig aan het ontbijt. Althans, drie van hen plus een kever. Guldan, de dienaar van de Vierde Broeder, was nog steeds op retraite, Moreta was aan het oefenen in het maken van genezende drankjes en de edele kunst van het genezen, en Amaril was er al vroeg op uitgetrokken met een oude schipper die hem de kneepjes van het zeilen bij wilde brengen. Als zee elf moet je je toch op het water kunnen redden.

Terwijl Saruman en Lavinia zaten te bakkeleien over of de kever wel op tafel mocht, ging de deur van de herberg open en trad een bekende binnen. Het was Reinier, van de Pompoenhoeve. Hij keek even rond in de gelagkamer en liep met een blij gezicht naar onze helden.

“Fijn dat ik jullie hier aantref,” zei hij, “Ik zou om jullie hulp willen vragen.”

IMG_8962

Hij legde uit dat hij op weg naar een klant een viertal lijken had aangetroffen langs de weg. De bewoners van de Pompoenhoeve brachten zulke lijken altijd naar het Swaenebeek klooster om begraven te worden. Niet alleen vanwege liefdadige motieven en het feit dat dit soort lijken nu eenmaal ( grote) roofdieren aantrokken, maar ook omdat het klooster beschikte over een speciaal beveiligde begraafplaats. Wie daar begraven werd zou niet zomaar als ondode opstaan en de omgeving onveilig maken.

Maar een van die lijken bleek een lidteken op zijn pols te hebben en een tatoeage op zijn achterwerk en aangezien de drie elven met hun opsporingsbrief ook bij de Pompoenhoeve langs waren geweest herkende Reinier hem als degene die gezocht werd.

Hij wilde het lijk naar de stad brengen voor de beloning. Echter, de aanwezigheid van die lijken gaf hem een onveilig gevoel. Kennelijk waren er personen in de buurt die hun hand niet omdraaiden om dit soort lieden te doden. En wie weet waren er meer bandieten in de buurt.

Zouden de avonturiers hem willen vergezellen naar de stad? Dat zou een stuk veiliger zijn. De beloning zou hij dan met hen delen en bovendien konden ze meerijden op de wagen en dan duurde de reis naar de stad een stuk korter.

De reisgenoten keken elkaar veelbetekenend aan. Zij hadden immers de vier bandieten gedood, maar dat gingen ze Reinier niet vertellen. Ze namen het aanbod met beide handen aan, hoewel de mensenschuwe Lavinia tegenstribbelde. Zij wilde eigenlijk helemaal niet naar de stad en als ze er dan waren moest hun verblijf daar zo kort mogelijk worden. Maar er waren teveel losse eindjes die in de stad bij elkaar kwamen. Het lijk kwam hen overigens bekend voor. Deze man hadden ze zelf gedood na hun avontuur bij de tovenaar Everard. Maar het leek hen niet verstandig om Reinier dat te vertellen.

Rond het middaguur kwamen ze aan bij de Zuidpoort van de stad Tuangith. Het lijk lag diskreet gewikkeld in een grote doek achterin de wagen en de drie helden zaten er strategisch omheen zodat het niet al te veel opviel.

De Stadswachter bij de poort vertelde hen dat het huis dat ze zochten in het Marktkwartier lag aan het uiterste einde van een doodlopende weg genaamd de Halvemaanstraat en legde uit hoe ze daar moesten komen.

Lavinia verborg zich tijdens de rit door de stad zoveel mogelijk achter de wijde mantel van Saruman. Deze had daar geen erg in omdat hij zijn handen vol had, -letterlijk-, aan het in bedwang houden van zijn kever, die allerlei lekkere, groene blaadjes zag aan de bomen en het frisse lentegroen het liefst tot het laatste blad wilde verorberen. De panda hield ondertussen angstvallig zijn voorraad bamboespruiten in de gaten.  Gisterochtend had hij een aantal half opgegeten exemplaren in zijn rugzak aangetroffen en hij verdacht de kever ervan dat hij die had aangeknaagd.

Na een tijdje kwamen ze aan in de Halvemaanstraat.

Halverwege de straat stonden drie figuren rondom een enorm gat in het wegdek. Het waren twee nors kijkende dwergen, (maar kijken dwergen niet altijd nors?), en een bezorgd uitziende man in het bruin. De reisgezellen waren geinteresseerd in wat er gaande was, maar met een lijk achterin de kar leek het hen niet verstandig om de drie aan te spreken. Eerst naar de Vrouwe Eilydis, hun beloning opeisen, en dan konden ze eens gaan zien wat er aan de hand was.

Het elegante huis van de elvenambassadrice bevond zich achter een stevig hek met een solide poort waar een elvenkrijger de wacht hield.

IMG_8962

“Wat komen jullie doen?”, vroeg de elf.

 “We willen graag Vrouwe Eilydis  spreken. We hebben de gezochte dief,” antwoordde de pandamonnik en toonde de wachter het opsporingsbevel.

“Hebben jullie een afspraak?”, vroeg de elf, “De Vrouwe heeft het druk.”

Op hun ontkenning zei de elvenkrijger dat hij zou zien of de Vrouwe tijd voor hen had, maar hij kon niets beloven.

Korte tijd later kwam hij terug en opende de poort voor hen.

“Jullie hebben geluk. Vrouwe Eilydis heeft wel even tijd. Ze wacht op jullie in de hal van het middelste gebouw.”

De binnenplaats van het huis van de Ambassadrice was een grote bloemenzee. Een prachtige tuin met bomen en struiken die volop in bloei stonden. De geur van de bloesem was overweldigend.

In de hal van het middelste gebouw werden ze opgewacht door de kapitein die ze al eerder tegen waren gekomen. Hij bekeek het lijk in de wagen grondig en  bracht hen tenslotte naar een lange elven vrouw, gekleed in glanzende, diep roze gewaden.

“Vrouwe Eilydis, dit zijn de lieden die het lijk van de dief komen brengen.”

“Heb je gecontroleerd of het de juiste man is?”, vroeg de dame.

“Ja, Vrouwe,” antwoordde de kapitein.

“Mooi!”, sprak de elven vrouw, “Verwijder het lijk en zorg ervoor dat deze lieden hun beloning krijgen.”

De kapitein klapte in zijn handen en prompt schoten een aantal potige elven tevoorschijn die het lijk wegtilden. De Ambassadrice wendde zich tot het gezelschap, waarbij opgemerkt moet worden dat Lavinia buiten was gebleven en zich in eerste instantie had verscholen in een bloemperkje. Uiteindelijk kroop zij dan maar weer achter de mantel van Saruman. Fijn zo’n wijde, lange mantel.

“En U heeft geen halsketting met maanstenen bij hem gevonden?”

“Alleen het lijk, Vrouwe,” stamelde Reinier.

“Tja, U moet weten dat een en ander me nogal verbijstert, ” zei de elvendame. “Ziet U, het was  mijn secretaresse, – mijn ex secretaresse – die deze schurk heeft binnengelaten. Ze was nogal van hem gecharmeerd. Ik heb haar inmiddels teruggestuurd naar het Woudrijk. Maar wat ik wilde zeggen was dat het kistje waarin de halsketting zat, – een erfstuk van mijn betovergrootmoeder-,  veel kostbaarder sieraden bevatte. En die heeft de dief niet meegenomen.”

“Was er iets bijzonders aan die halsketting?”, vroeg Saruman, die ondertussen enigszins ongerust om zich heen keek naar waar zijn kever was gebleven. ( Die vrat zich een weg door het bloemperkje waar Lavinia had gezeten.)

“Niet direct”, antwoordde de Ambassdrice, “Mijn moeder zei altijd dat het magische eigenschappen had, maar daar heb ik nooit wat van gemerkt. Voor mij was het een dierbaar aandenken, meer niet.”

Ze fronste haar bevallige wenkbrauwen. ” Ik begrijp het niet, ” zei ze, ” Maar als U mij excuseert, ik heb het heel erg druk.” De kapitein overhandigde haar een buidel die een veelbelovend rinkelend geluid maakte.

“Hier is Uw beloning, vierhonderd gouden ducaten, zoals beloofd. Hoe U het onderling verdeelt zal mij ten enenmale worst wezen. Ik groet U.”

En met die woorden draaide ze zich om en vertrok naar een kamer achterin het huis, de reisgenoten achterlatend in een wolk van bloemige parfum.

De kapitein begeleidde de vrienden naar de poort terwijl Saruman haastig zijn kever oppakte uit het, inmiddels kaal gevreten, bloemperkje en hem stevig onder zijn arm klemde. En eenmaal buiten de poort eiste Reinier zijn aandeel op in de beloning.

“Honderd ducaten, ” sprak hij, “Ik ben een dag kwijt aan heen en weer reizen en ik moet straks ook nog de wagen schoonschrobben. Anders kan ik er geen levensmiddelen in vervoeren, na dat lijk.”

Dat vonden ze een goed voorstel en zo vertrok Reinier met zijn paard en wagen weer naar huis.

Toen hij flink uit het zicht was haalde Lavinia nog maar eens het boodschappenlijstje dat ze bij de bandieten in het Susterwold hadden gevonden uit haar zak.

“Ik wou niets zeggen waar Reinier bij was, maar het feit dat de maanstenen magisch zijn zou natuurlijk een hoop verklaren. Volgens dit lijstje heeft iemand magische edelstenen nodig. Daarom wilden ze natuurlijk ook die diamant uit het Susterwold.”

De twee anderen knikten, dat leek ook hen heel aannemelijk.

 Het Riool

 Ondertussen stonden de twee dwergen en de man in het bruin nog steeds bij het gat in de straat.  Er was inmiddels een stevig touw om een dichtbijzijnde boom geknoopt  en de bezorgde man leunde ver naar voren met een lantaarn in zijn hand in een poging te zien wat er beneden was. Wat was hier aan de hand?

De man met de lantaarn antwoordde hen dat zijn dochtertje vermist was. Al sinds gistermiddag. Ergens in de loop van de ochtend was het weg dek naar beneden gestort en de hond van zijn dochter was in het gat gesprongen. Het beest had een grote hekel aan ratten en hield normaal gesproken de taveerne waar de man eigenaar van was vrij van dit ongedierte. Hij had waarschijnlijk iets geroken.  Maar toen kon het dier natuurlijk niet meer naar boven. De man in het bruin was zelf nog naar beneden geklommen aan een touw om het dier te zoeken. Maar hoe hij ook riep, Blackie reageerde niet.

Hij had vervolgens zijn dochtertje verboden om de hond zelf te gaan zoeken. Hij zou vast wel weer ergens boven water komen en het riool was te gevaarlijk voor achtjarige meisjes.

Daar had zij zich dus kennelijk niets van aangetrokken en gewapend met een lantaarn, haar zakmes, een touw en een zak vol koekjes,  was zij in een onbewaakt ogenblik op zoek gegaan naar haar geliefde huisdier.

Pas bij het avondeten had hij haar afwezigheid opgemerkt. Hij was een alleenstaande vader en hij moest zijn klanten bedienen in de taveerne, zo verontschuldigde hij zich.  In eerste instantie dacht hij dat ze wel bij een van haar vriendinnetjes zou zijn.  Maar nee dus. In paniek had hij overal gezocht en was tot de angstaanjagende conclusie gekomen dat ze alleen het riool was ingegaan. En tot nu toe was ze niet teruggekeerd.

Doodongerust had de man de hulp ingeroepen van de stadswacht, maar men vertelde hem dat ze hem op dit moment niet konden helpen. Er was een opstootje in de haven en ze hadden nu simpelweg geen wachters beschikbaar. Dus was hij naar de Grote Tempel gegaan om hulp. En de priesteres van dienst had hem deze twee dwergen meegestuurd. De roodharige  dwerg stelde zich voor als Ragnar Steenbreker, dienaar van de Derde Broeder, en de andere dwerg was zijn neef Sigurd de Raaf.

“Weet je zeker dat dit touw mij houdt?”, vroeg Ragnar aan zijn neef.

“Ach, als het breekt val je zacht,” antwoordde Sigurd met een gebaar richting de weelderige buik van Ragnar, wat hem een woedende blik opleverde.

“Ik ben niet dik!”, sputterde de dwergen cleric.

“Als je nou, net als ik, wat meer zou oefenen en wat minder zou eten…”

Het was zo te horen het vervolg van een discussie die al veel langer gaande was. En inderdaad zag de roodharige dwerg eruit alsof hij niet al te veel maaltijden miste. Hij was, zoals ik al aangaf, diepgebouwd.

“Misschien kunnen wij helpen,” sprak Grasshopper, de panda monnik. ” Als wij Uw dochter vinden, kunnen wij dan bij U overnachten?”, vroeg hij aan de bezorgde vader.

“De Wilde Waterlelie is geen herberg,” antwoordde de man in het bruin, “Maar als U Lily heelhuids terugbrengt dan is er wel een plaatsje op de zolder. Die is groot genoeg.”

Terwijl dit gesprek gaande was keek Lavinia eens goed naar beneden. De muur waartegen normaal een ladder was gemonteerd was in zijn geheel weggeslagen en het riool water kolkte op een flinke diepte. Naar beneden springen was geen optie, in elk geval niet voor iemand met haar ( gebrek aan ) lengte, dan zou je zomaar je nek kunnen breken.

“Laten we gaan, ” zei ze, nog steeds verscholen achter de mantel van Saruman.

En zo klommen de drie helden naar beneden, achter de dwergen aan.

Het water in het riool stond zo te zien flink hoger dan normaal. Aan weerszijden was nog net een smal richeltje waarover men achter elkaar kon lopen. Het middelste gedeelte was behoorlijk diep.

Aan het einde van een lange gang scheen zonlicht naar beneden door een rooster ver boven hen.

“Even goed om te weten, ” hijgde de roodharige cleric, ” Ik heb een sleutel voor de riooldeksels. Ze zijn  namelijk deels op slot gezet.”

” U bent zeker wel bekend met dit riool, of niet?”, vroeg Grasshopper.

“Nou nee, niet echt. Als dwerg kan ik me ondergronds wel orienteren, maar de stad is groot en het rioolstelsel dus ook. En mijn neef en ik zijn hier nog niet zo lang,” antwoordde de cleric. “Bovendien zijn de meeste kaarten van het riool niet accuraat of simpelweg niet bestaand, ” voegde hij er aan toe. “Dat werd me tenminste verteld in de Tempel.”

Het gezelschap kwam  op een T splitsing.  Het spoor dat ze tot nu toe gevolgd hadden, hondepoten en kleine voetjes, verdween hier.

De linkergang was besmeurd met een dikke laag slijm dat alle sporen, als ze er al waren, weggevaagd had, en rechts van hen waren juist teveel sporen om daar nog wijs uit te worden.

Lavinia sloop ongemerkt naar rechts. Recht voor haar bevond zich na enkele meters een groots hekwerk waar doorheen het water stroomde. Ze vermoedde, aan het geluid van stromend water te horen, dat zich  in die richting de rivier bevond. En links van haar, daar waar al die sporen naar toe gingen, was een nauwe gang.

Hoorde ze nou muziek? Hier? In het riool?

Merkwaardig.

Heel voorzichtig sloop ze de gang naar links in. De muziek werd hier luider. En het was net alsof iemand de moeite had genomen om deze gang zo schoon mogelijk te maken. Er lag zelfs een extra stel planken die het makkelijker maakten om aan de overkant te komen.

Ze ging terug naar de rest van het gezelschap die nog steeds aan het debatteren waren of ze nu wel of niet de beslijmde gang in moesten. Er was niet veel animo voor. Daarentegen vonden ze het een uitstekend plan om eerst de schone gang te onderzoeken.

Aan het einde van de gang was een stevige, gesloten deur met een luikje. Boven de deur hing een plakkaat dat aankondigde dat dit de bar “De Laatste Druppel” was, met een lijst van regels waar bezoekers zich aan moesten houden. Ten eerste waren ondoden niet welkom en werd iedereen die betrapt werd op stelen kortere of langere tijd de toegang tot de bar ontzegd. Vechten mocht wel, maar alleen in de worstelring en alle intelligente wezens die op de ene of andere manier konden communiceren waren veilig in de bar.

Wie kinderen of intelligente wezens kwaad deed, of zich aan verkrachting schuldig maakte zou, volgens de opsteller van het document, nooit meer teruggevonden worden.

“Laten we aankloppen, ” zei Saruman, “Het lijkt mij, dat als ze hier iets weten over het meisje dat ze ons dat wel zullen vertellen.”

Zo gezegd, zo gedaan.

Het luikje ging open en het gezicht van een hobgoblin werd zichtbaar. Hij bekeek hen grondig en gromde toen dat ze duidelijk geen ondoden waren en dat ze dus naar binnen mochten.

IMG_8970

En zo stapten de helden in een ietwat schemerachtige ruimte waar een hoop lieden van verschillend pluimage, – die echter allemaal als ‘onguur’ bestempeld konden worden-, opkeken van wat ze aan het doen waren. Er viel een wat ongemakkelijke stilte.

Daarop pakte Lavinia haar dolk en liet een verbluffende behendigheid zien in het omhoog gooien en weer omvangen van een dolk die zich ondertussen drie keer om zijn as had gedraaid.

Een van de gasten keek haar doordringend aan, knikte vervolgens instemmend, en ging weer verder met het dobbelspel waar hij mee bezig was. Ook de anderen draaiden zich weer om en gingen weer gokken of drinken of wat ze ook aan het doen waren. De luitspeler in de hoek begon aan een volgend lied.

Hoog aan het plafond boven hen hingen skeletten van merkwaardige en zeldzame wezens. Er was een inmens grote vleermuis, een alligator en iets met twee koppen, gemene klauwen en veel te veel tanden. En nog veel meer.

Achterin de zaak stond een man gehuld in allerlei grijstinten en staalgrijs gemeleerd haar met zijn armen geleund op de bar. Alles aan hem zei duidelijker dan woorden dat hij de eigenaar was. De reisgenoten liepen naar hem toe. Saruman’s kever liep voor een keer dichtbij zijn meester. Lavinia verborg zich maar weer achter de mantel van de tovenaar.

“Goedemiddag,” zei de man, “Ik heb jullie nog niet eerder hier gezien. Hebben jullie het reglement gelezen?”

“Jazeker, ” bevestigde Grasshopper, ” We wilden U wat vragen.”

“Ah, “, sprak de man, “Laat mij  eerst iets over mezelf uitleggen. Mijn naam is Kyrian Celerath. Ik koop en verkoop informatie. Daar verdien ik mijn geld mee. Het levert meer op dan deze bar. Een  stuk informatie krijgen jullie gratis en voor niets. Ik zou jullie willen aanraden om de komende dagen niet naar de haven te gaan. De stadswacht mag dan roepen dat het slechts een opstootje is, het lijkt meer op een halve burgeroorlog. “

Kyrian boog zich over de  bar naar de Reuze hertshoorn kever die zich angstvallig probeerde te verschuilen onder het gewaad van zijn meester. Saruman had een empathische band met zijn familiar en deze gaf hem het gevoel dat de bar eigenaar niet helemaal menselijk was. Of helemaal niet menselijk. In elk geval was hij meer dan hij leek te zijn.

Kyrian glimlachte. Hij draaide zich om en riep naar achteren: “Garthim, kom hier!”

Een smoezelig uitziende man met een koksmuts kwam aangewaggeld.

“Ja, baas?”

“Heb je die salade nog, die niemand wilde hebben?”

” De vrolijke sliertjes salade met frisse saus? Is er iemand geinteresseerd?” De man fleurde helemaal op bij de gedachte.

“Ja,” antwoordde Kyrian, “Geef hem maar aan deze kever.”

“Oh, okee,” sprak de kok, ietwat teleurgesteld en verdween naar achteren om terug te komen met een grote schaal met smakelijk uitziende salade. De kever begroef zich in de schaal en dacht de komende minuten aan niets anders dan eten.

“Niet veel vegetariers in deze bar,” legde de bar eigenaar uit.

Lavinia kreeg plotseling het idee dat de man iets aan zijn ogen had. Het was net alsof hij niet van boven naar beneden met zijn ogen knipperde maar van links naar rechts. Of rechts naar links. Hoe dan ook. De man leek vriendelijk genoeg.

“Het gaat om een meisje van acht en haar hond die hier beneden vermist zijn,” zei de panda monnik.

“Een kind!”, riep de grijze man. “Tja, als je het regelement gelezen hebt dan weet je dat ik het mishandelen van kinderen en intelligente wezens niet tolereer.”

Achter Saruman’s mantel stak Lavinia haar vinger op. “En niet intelligente wezens, toch? Zoals dieren!”, riep ze.

Kyrian schonk haar een minzame glimlach. Die man had echt teveel tanden. Of leek dat maar zo?

“In elk geval, ” vervolgde hij, “Normaal gesproken zou ik jullie laten betalen voor die informatie, maar omdat het om een kind gaat… Een paar van mijn gasten hebben hier in de buurt het geluid gehoord van een blaffende hond.  Als je hier de bar uitgaat en dan naar rechts en meteen weer naar rechts. Daar kwam het geluid vandaan.”

“Dat is de gang met het slijm,” zei Sigurd de dwerg. “Heeft U enig idee wat een slijm spoor zou kunnen produceren  over de hele breedte van de gang?”

“Dat klinkt als de grote legendarische vleesetende slak!” sprak de man geschrokken. “Volgens de verhalen had een rare edelman een illegale dierentuin met allerlei gevaarlijke wezens. Toen de man overleed zijn kennelijk een aantal van zijn wezens ontsnapt. Ik heb de slak nooit met eigen ogen gezien, en ik zit hier toch al heel wat jaren. Als het monster werkelijk bestaat zou ik maar opschieten. Menig volwassen krijger kan dat beest niet aan, volgens de overlevering, dus een klein meisje al helemaal niet!”

De avonturiers hadden zich al omgedraaid toen de barman hen nogmaals aansprak.

“Moment! Als jullie toch die kant opgaan kunnen jullie dan iets voor mij doen?”

Grasshopper draaide zich terug naar de merkwaardige grijze man.

“Als het niet teveel tijd kost, want we moeten een meisje redden,” zei hij.

“Het is heel simpel, ” zei Kyrian, ” De reden dat wij hier in de bar droge voeten hebben en niet tot aan onze navels of nog hoger in het water staan, komt omdat hier achter mij een paar waterpompen staan, die het hier droog houden. Die pompen moeten wel goed onderhouden worden, en af en toe moeten onderdelen vervangen worden. Ik weet ongeveer wel wanneer dat moet gebeuren en dus had ik bij de smid Ulfberhta nieuwe onderdelen besteld. Die hadden al twee dagen geleden aan moeten komen, maar dat is niet gebeurd. Kunnen jullie voor mij uitkijken naar de koerier en die onderdelen? En als je ze niet kunt vinden, kunnen jullie dan naar de smid gaan om nieuwe te bestellen? Ze woont vlakbij de Halvemaanstraat.”

Dat beloofden ze.

De helden zaten er niet echt op te wachten om door het slijm te ploeteren maar de gedachte aan dat kleine meisje dat wellicht verorberd zou kunnen worden door een meer dan levensgrote slak was onverteerbaar.

En dus liepen ze korte tijd later in de beslijmde gang.

Halverwege bleven beide dwergen opeens staan. Ze waren zeer geinteresseerd in de muur aan hun linkerkant. Ragnar gaf een zachte tik met zijn strijdknots tegen de muur. En toen een iets hardere.

“Wat is er aan de hand?”, vroeg Grasshopper.

De dwergen keken elkaar aan. “Er is iets met die muur.”, zei Sigurd uiteindelijk. “Het lijkt wel of dit stuk nieuwer is dan de rest. En het klinkt of er een holte zit hierachter.”

“Zou hier een deur hebben gezeten die is dichtgemetseld?”

“Zou kunnen. Maar het nieuwe stuk is iets te onregelmatig om een deur te zijn.”

Lavinia pakte haar altijd scherpe dolk en sneed een stuk steen uit de muur.  Met haar donkerblauwe brilletje op keek ze naar binnen.

“Er zit hier inderdaad een holte, maar ik kan niet goed zien hoe groot hij is.”

“Als je het gat iets groter maakt kan mijn kever er door. Hij kan me vertellen wat daar is”, zei de tovenaar.

De opening werd groter gemaakt maar de kever kon niet meer vertellen dat er een ruimte was met gladde muren aan twee kanten en een grote stapel puin aan een kant. De panda monnik gaf een enorme trap tegen de muur waardoor het gat nu zelfs groot genoeg was om hem door te laten.

“Ik ben niet dik!”, riepen hij en de roodharige dwerg in koor toen de tovenaar hen hierop wees.

De ruimte achter de muur was duidelijk ouder dan de rest van het riool. Op een kant van de ruimte was een inmiddels enigszins afgebladderde schildering van een hond aan een ketting met een paar woorden eronder in de taal van het Oude Keizerrijk die zoveel betekenden als: “Wacht U voor de hond!” volgens Saruman.

“Ik weet wel wat van die taal, ” zei hij als reactie op de verbaasde blikken van zijn kameraden.

“Niet heel veel misschien, maar toch.”

Het bleek echter onbegonnen werk om het puin uit te graven en ze waren hier niet in eerste instantie om een archeologische opgraving uit te voeren. Er was een meisje in nood.

Terug naar de slijmerige gang, dus. Ze kwamen weer bij een T- splitsing en volgden dit keer de gang zonder slijm. Hier waren weer volop sporen te zien, van een hond, maar ook van ratten. Veel ratten. Ook grote ratten, van ongeveer het formaat van een mens.

“Ik heb zo’ n hekel aan ratten, ” zei de halfling zuchtend.

 Achter een deur aan de linkerkant hoorden ze een hond zachtjes janken. De deur was op slot maar dat was geen probleem voor Lavinia. De volgende ruimte stond vol met kooitjes. Sommige van die kooitjes waren gevuld met ratten. In een van hen zat een hond, die waarschijnlijk normaal gesproken wit was maar nu meer bruin, vies en slijmerig.

“Stop!”, fluisterde de rogue halfling. Ze had iets opgemerkt aan de vloer.

Omzichtig tastte ze de boel af en ja, hoor, daar was een drukplaat in het midden van de vloer. Iedereen die daarop ging staan zou onverwijld naar beneden vallen, ongetwijfeld een onaangename dood tegemoet. Met een stukje metaal dat ze in de ruimte vond blokkeerde de halfling het mechanisme zodat iedereen, inclusief de panda monnik en de roodharige dwerg, (“Ik ben niet dik!”) er veilig overheen konden lopen.

Dan het kooitje waar de hond in zat. Het was een val waar het arme beest in was gelopen, gelokt door wat voedsel dat achterin de kooi was gelegd. Zodra hij eenmaal binnen was was het deurtje achter hem dicht geklapt en zat hij gevangen. Er zaten een paar handvaten bovenop de kooi zodat niet met zekerheid kon worden gesteld waar het dier was gevangen.

Was dit Blackie, de hond van het meisje Lily?

IMG_8965

Het beest kwispelde verwachtingsvol terwijl Lavinia het kooitje openmaakte. Zij had, zoals ik al eens verteld heb een bijzondere band met dieren. En dan vooral met hondachtigen. De halfling keek de hond diep in de ogen en vroeg: “Waar is Lily, jongen? Waar is je bazinnetje?”

Het beeld van een  jong meisje met bruin haar en een groen jasje verscheen in Lavina’s geest. Dan het beeld van zeer grote ratten. En de afkeer die de hond had jegens die ratten.

Het beest leek in tweestrijd. Dan  liep hij naar de open deur en dan weer naar de andere, nog gesloten, deur in de ruimte. Steeds als hij daar was gromde hij.

“Blackie,” zei Lavinia, “Blijf hier.” En tegen de anderen: “Misschien moeten we eerst maar eens kijken wat hierachter is, zodat we geen vijanden in de rug krijgen.”

Dat leek hen wel een goed plan. Voorzichtig werd de deur geopend en het gezelschap sloop naar binnen. De ratten die in de kamer achter de deur zaten verstijfden kortstondig toen de helden op hen afstormden. Maar al gauw gingen ze in de tegenaanval.

IMG_0996

Tijdens het gevecht bleek dat de dwergen cleric maar beter wel had kunnen oefenen met zijn wapen, zijn spreuken pakten beter uit. En Saruman had verbijsterend genoeg niet een offensieve spreuk bij zich. Gelukkig had hij nog een kruisboog en een kever, die blij was dat hij iets herkenbaars mocht aanvallen in plaats van wandelende tafels en stoelen. Ratten, dat begreep hij.

De andere dwerg pakte samen met Lavinia de twee grote mensachtige ratten aan die hen eerst beschoten met hun katapults. Sigurd wist wel hoe hij zijn dwergenbijl moest gebruiken. Hij raakte keer op keer. En goed ook. Zijn pantsering en zijn koppige dwergenaard maakten dat hij ook goed kon incasseren. Ondanks het feit dat er uit een kleine opening in de muur nog wat kleine ratten kwamen werd het gevecht in het voordeel van onze helden beslist.

De halfling stopte de opening in de muur nog dicht met wat strooien matrassen. ( Het zou de ratten op z’n minst vertragen.) En daarna keerden ze terug naar de plek waar Blackie op hen zat te wachten.

Nu vertrouwden ze op de neus van de hond om zijn baasje te vinden. Hij leidde hen naar alweer een gang vol met slijm en voorbij een gang die vol met spinnewebben zat. En niet zomaar spinnewebben. Grote spinnewebben.

“Bah, spinnen, ” zei Sigurd. ” Waarom moeten het spinnen zijn?”

“We hoeven niet naar binnen,” zei Grasshopper de panda. “De hond wil rechtdoor. Hier is het meisje niet.”

Desondanks werd besloten de gang aan een kort onderzoek te onderwerpen. Iets verderop in de gang lag een skelet, met wat werpsterren in, of rond zijn ribbenkast. Een stukje verder lagen wat flesjes, waarvan een met een helderrode vloeistof. Maar des te dieper ze de gang ingingen, des te meer spinnenwebben ze aantroffen. De reisgenoten draaiden zich om om de gang te verlaten.

Saruman echter was nieuwsgierig naar wat er nou eigenlijk zat. Hij pakte een flinke steen en wierp die de gang in om te zien of er wat zou gebeuren.

Vliegensvlug verschenen er drie spinnen die verhaal kwamen halen. Ze vonden het niet leuk dat hun web verwoest werd en vielen de helden aan. Ze waren zo groot dat er maar een tegelijk in de gang paste. Dus stonden twee van hen achter elkaar en hing de derde aan een web aan het plafond.

“Oeps!”, zei Saruman nog.

Ondanks het feit dat hij een pesthekel aan spinnen had, – of misschien juist daardoor-, bleef de dwerg Sigurd onverschrokken staan in de ingang van de gang. Naast hem stond Lavinia.

Met slechts een rake klap reduceerde de dwerg de spin aan het plafond tot een verzameling stuiptrekkende onderdelen en viezige groengele smurrie.

“Vieze beesten,” zei hij, met walging in zijn stem.

Lavinia pakte de dichtsbijzijnde spin op de grond aan, gesteund door de roodharige Ragnar. Grasshopper schoot pijlen over de hoofden van de twee vooraan. Ze waren geen beiden erg groot, dus dat kon makkelijk. En ook Saruman deed zijn best, hoewel hij aardig door zijn pijlen begon heen te raken. Ook de tweede en de derde spin werden al gauw gedood, hetgeen vooral aan de bijlslagen van de dwergenkrijger was te danken.  Het leek wel of hij nauwelijks miste. Hij zat dan ook onder de smurrie, na afloop.

“Wil je dat nooit meer doen ?”, mompelde hij tegen de tovenaar, toen het gevecht was afgelopen.

Saruman deed maar net of hij het niet hoorde.

Het gezelschap zette de speurtocht voort achter de hond aan en kwamen bij alweer een splitsing waar wat zonlicht van boven naar binnen kwam. Het slijmspoor ging linksaf en rechtsaf hoorden ze iets ritselen.

De hond wilde linksaf, maar de avonturiers wilden toch even kijken wat er aan de andere kant was.

In een donkere, taps toe lopende ruimte leek het of de vloer bewoog. En dan niet door een aardbeving of zo. Nee, er bewoog iets op de vloer. Saruman haalde een kaars tevoorschijn, stak hem aan en keek naar binnen. De haren stonden prompt rechtop op zijn hoofd.

Honderden, zo niet duizenden of tienduizenden insekten en andere soorten veelpotig gespuis krioelden over de vloer. Kevers, spinnen, duizendpoten, noem maar op. Elk minstens zo groot als een walnoot, met glanzende schilden, klikkende kaken en pootjes die over de stenen vloer krasten.

De helden keken elkaar aan. Ze moesten ook nog een koerier vinden; zou hij zich daar bevinden? Saruman deed nog een poging om zijn trouwe kever te laten communiceren met de insekten massa. Het kruipend ongedierte bleek daar echter totaal ongevoelig voor.

Even niet, zo werd besloten. Die ruimte gingen ze niet in. Nee, voor geen goud. Echt niet.

Blackie stond ongeduldig te wachten halverwege de volgende slijmerige gang.

Er was op het eerste gezicht geen deur te bekennen maar het slijm hield hier op en een stuk van de muur was van onder tot boven besmeurd met slijm. En volgens de dwergen was ook dit stuk muur nieuwer dan de rest.

De halfling ging op onderzoek uit. Al snel vond ze een steen die er anders uitzag dan de rest, ongeveer halverwege. Toen ze die steen voorzichtig indrukte met de achterkant van een van haar vele dolken, – ze heeft inmiddels een hele verzameling-, klapte de muur naar binnen.

Ze kwamen in een grote ruimte met in het midden een rechthoekige vijver en rondom aan drie kanten een zuilen galerij. Alles was besmeurd met slijm. En de vijver was een smerige poel met slijm.

“Dit moet een heel oud huis zijn, zo te zien. Heb jij enig idee uit welke tijd dit stamt?”, vroeg Lavinia al fluisterend aan de dwerg Sigurd.

“Geen idee, ” antwoordde hij. “Elvenwerk, zo te zien.”

“Een dwerg die niets weet over steenwerk?”, zei de halfling ongelovig.

“Luister eens,” sprak de dwerg verontwaardigd, “Ik weet precies waar deze stenen vandaan komen. Uit de oude groeve in de buurt van het Serica meer. Dat ligt nu in het keizerrijk Quennel, in het zuiden. Het is oud, en gebouwd door elven. Als het door dwergen was gemaakt had ik je er meer over kunnen vertellen. Elven interesseren me niet zo.”

“Sssttt!!”, fluisterde de tovenaar met een veelbetekenende blik op de vijver. Ze hadden allemaal zo’n vermoeden wat daar in zat. Iets groots, en slijmerigs.

In de westkant van wat oorspronkelijk een tuin geweest moest zijn bevond zich een doorgang. En in die doorgang struikelde de tovenaar Saruman zo ongeveer over een arm. Een arm van brons, wel te verstaan, met een wijzende hand. Aan de kant waar de arm aan de schouder bevestigd zou zijn zat een grote pin.

“Meenemen?”, vroeg Saruman, “Het is misschien wat waard.”

“Een bronzen arm?,” zei de panda monnik, “Laat lekker liggen. Dat brengt niet veel op.”

Aan de andere kant van de doorgang was weer een grote, door zuilen omringde, ruimte. Alleen stond hier in het midden een soort gebouwtje. Aan weerszijden van de doorgang waren kamertjes, elk afgesloten door een houten deur. En zo te zien bevonden zich achter de zuilen, aan weerskanten van de binnenplaats ook weer deuren. Het was net even iets minder beslijmd dan de vorige ruimte.

De halfling onderzocht, heel voorzichtig,  een van de houten deuren naast de doorgang. Het slot was zo te zien erg simpel. Het bleek echter dat toen ze met haar hand tegen de deur leunde er zomaar een stuk  verkruimelde. Het hout van de deur was door het vocht in het riool in de loop van de jaren zo vermolmd geraakt dat het al kapot ging als je er naar keek.

Lavinia sneed zorgvuldig rond de scharnieren en het slot en vroeg aan de dwerg Sigurd om de deur opzij te zetten. Ze traden binnen in een soort eetkamer met lage banken aan drie kanten en een halfvergane tafel in het midden. Ook de andere kamertjes aan de kant van de doorgang bleken zo ingericht. Er lagen nog wat interessante voorwerpen, zoals een mooi beschilderde vaas en een zwaardschede met rode stenen die volgens Sigurd robijnen waren, maar verder was volstrekt duidelijk dat hier heel lang geen mensachtig wezen was geweest.

IMG_1000

Een paar afbladderende  muurschilderingen bevestigden Sigurd’s uitspraak dat dit door elven gebouwd moest zijn. De afgebeelde figuren waren duidelijk elven.

De hond snuffelde driftig rond op zoek naar sporen van zijn bazinnetje en bleef verwachtingsvol staan aan de zuidkant van de binnenplaats.

“Straks, jongen,” zei de halfling, ” Eerst even de kamers in het noorden bestuderen.”

 Ondertussen trapte de panda de deur in van het gebouwtje in het midden. Veel viel daar niet uit op te maken. Een soort van badkamer waarschijnlijk. Met een mooie mozaiek vloer, dat wel. Jammer dat ze die niet mee konden nemen.

Achter de middelste kamer in het noorden klonk geritsel. Behoedzaam verwijderde Lavinia de deur en stapte, met Sigurd aan haar zij, de kamer binnen.

Een groot aantal uit de kluiten gewassen kakkerlakken deed zich tegoed aan wat een bibliotheek geweest moest zijn. Ze hadden de binnenkomst van de twee avonturiers nog niet opgemerkt. En hup!, dat waren al twee kakkerlakken minder voordat de tegenaanval werd ingezet.

IMG_8966

De kamer was krap en de ingang nauw, dus kwam het gevecht voor het merendeel voor rekening van de halfling en de bruinharige dwergenkrijger. Gandalf de kever leverde ook nog een bijdrage. Na afloop werd de bibliotheek, of wat er van over was, grondig onderzocht. De kakkerlakken hadden er niet veel van over gelaten. Resten van geschiedenis boeken en een pagina, geschreven in een taal die Saruman niet direct kon ontcijferen, die wel eens een magische spreuk kon bevatten.

Aan de westkant van de badkamer stond een bronzen beeld van een elven krijger. Een beeld met maar een arm.

“Wacht even!”, riep de tovenaar en rende weg. Hij kwam terug met de bronzen arm die ze eerder hadden gevonden. “Eens kijken of dit past!”

De pin in de arm pastte prima in het gat in de schouder van het beeld. De arm kon in drie standen gezet worden. Met de wijzende hand naar beneden, met de hand recht vooruit, en met de arm wijzend naar het plafond. Saruman koos voor de middelste stand. Er gebeurde niets.

Teleurgesteld wilde de tovenaar alweer verder gaan naar de volgende kamer, maar Ragnar en Sigurd hielden hem tegen.

“Probeer nog eens!”, zei Ragnar. “En wees heel stil.”

Dit keer hoorden ze  in de verte het vage krassende geluid van stenen die over stenen glijden. En daarna een ‘klik’. Ergens, ging er iets open. Maar waar?

De panda monnik volgde richting van de wijzende arm en kwam, na een gerichte karate trap, in wat oorspronkelijk een studeerkamer geweest moest zijn. Een deur leidde naar een archiefkamer maar verder was er niets te zien.

Blackie de hond rende echter enthousiast achter hem aan en stond blaffend en kwispelend voor de  muur aan de zuidkant van de kamer. Nu pas ontdekte het gezelschap dat er sporen op de grond waren die er op wezen dat een deel van de muur open kon.

Ze riepen naar Saruman en de dwergen, die nog steeds bij het beeld stonden en hadden opgemerkt dat de arm nu naar beneden wees, om het nog eens te proberen.

De muur schoof langzaam open. Dolblij rende de hond naar binnen waar een klein meisje lag te slapen op een stapel muffe tapijten. Zijn geblaf wekte haar en ook zij was opgelucht en blij om haar hond weer te zien. Want het was wel duidelijk dat dit de kleine Lily was.

De reisgenoten vroegen haar wat er nou eigenlijk gebeurd was, en zij vertelde dat ze haar hond niet alleen had willen laten in het riool, – hij kon immers geen trappen of touwen beklimmen-, en dus was ze, tegen de zin van haar vader, het brave beest gaan zoeken.

Op een gegeven moment was ze dan die slak tegengekomen, die bezig was een flinke rat op te eten. Het leek haar geen goed plan om door de slak opgemerkt te worden en dus probeerde ze langs hem heen te sluipen. Maar de slak had haar gezien en ging onmiddellijk achter haar aan.

Daarop zette het meisje het op een rennen.  Het beest kwam achter haar aan. De slak was niet zo snel maar vulde wel de hele gang, zodat ze niet meer terug kon.

Even dacht ze aan het monster ontsnapt te zijn door de ladder te beklimmen die omhoog uit het riool leidde. Helaas, was het deksel op slot gezet en toen had ze geen andere keus dan te proberen een schuilplaats te vinden, waar ze kon wachten totdat de slak weer weg was gegaan.

Ze vond een stuk muur met een uit stekende steen en nadat ze daarop had gedrukt ging de muur open. Ze haalde opgelucht adem, hier zou ze wel veilig zijn. Echter, bij nader inzien, was ze van de regen in de drup gekomen. Dit was de woonplaats van de slak! Hij wist ook hoe je binnen moest komen en ging gewoon weer achter haar aan.

Toen was ze in het studeerkamertje gekomen en had daar een geheime deur in de muur op een kiertje zien staan. De slak kon daar onmogelijk doorheen, maar zij was klein genoeg. Eenmaal binnen had ze al gauw de schakelaar gevonden om de deur helemaal dicht te doen.

Bij het laatste licht van haar lantaarn had ze de kamer goed onderzocht. Langzamerhand kwam ze tot een angstaanjagende conclusie. Ze was hier dan wel veilig, maar niemand wist waar ze was. En zij wist ook niet wanneer het veilig zou zijn het kamertje te verlaten. Tegen die tijd was ze heel erg moe. Ze at wat koekjes en viel in slaap op de stapel tapijten.

De reisgenoten vertelden haar dat haar vader hen gevraagd had om haar te zoeken en dat  ze haar nu terug zouden brengen. Zij en haar hond waren eindelijk veilig.

Het kleine meisje was blij en opgelucht en liet hen een kistje zien dat ze gevonden had. Een mooi kistje, dat rammelde, maar zij kreeg het niet open.

Lavinia had daar geen enkele moeite mee. Van de sieraden en andere kostbaarheden die in het kistje zaten gaf ze het meisje een paar mooie gouden munten. Die nam Lily dankbaar aan. Een kinderhand is gauw gevuld.

De rest van de kamers leverden niet veel bijzonders op en de deur in het westen van de binnenplaats leidde naar een nauwe gang met aan het uiteinde een grote stapel puin. Dit was waarschijnlijk de andere kant van de gang die ze eerder hadden gevonden. Hier konden ze niet doorheen. Ze zouden dezelfde weg terug moeten nemen. Langs de slijmerige vijver.

Saruman en Lavinia bleken hetzelfde idee te hebben. Ze pakten elk een dode kakkerlak en gooiden die in de vijver. Gewoon, om te zien of er wat zou gebeuren.

En ja, hoor. Daar begon de vijver te borrelen. En uit het slijm kwam een enorme slak omhoog. En omhoog. En nog verder omhoog. Totdat hij ver boven hen uittorende. Niet alleen was het beest gigantisch groot, het had ook nog tanden. En een slecht humeur, zo te zien.

Het kon ook honger zijn natuurlijk.

IMG_0999

Van de schrik misten alle pijlen die op hem afgeschoten waren. De avonturiers keken elkaar aan. Was het nou wel zo’n goed idee om dit monster te bevechten? Ze waren het er al snel over eens dat dit een heel slecht plan was. Het beest was niet erg snel, zo te zien, dus leek het hen beter om erom heen te gaan en zo snel mogelijk deze plek te verlaten.

Dat lukte. Met behulp van de sleutel die Ragnar bij zich had maakten ze, toen ze eenmaal buiten het oude huis waren,  de dichtstbijzijnde riooldeksel open en klommen, – met hond en meisje-, naar boven. Het bleek dat ze in dezelfde straat waren aangekomen vanwaar ze vertrokken waren, maar iets verder weg.

De vader van Lily sloot zijn dochter vol vreugde in de armen, rioolmodder en slakkenslijm ten spijt. De hond blafte zich helemaal schor van blijdschap. Zijn staart viel er bijna af van het kwispelen.

“Ik kan jullie niet veel geven,” sprak Lily’s vader, “Ik heb net al mijn rekeningen betaald. Maar als jullie aan het eind van de week terugkomen dan heb ik wel een beloning voor jullie. Ondertussen zijn jullie welkom op mijn zolder.”

De reizigers hadden eerst nog wat anders te doen. Op aanwijzingen van de man gingen ze naar de smidse van Ulfberhta. Dit bleek een gespierde jonge dwergenvrouw te zijn met blonde vlechten. Ze vertelden haar dat de koerier van de onderdelen niet was aangekomen en dat er dus nieuwe onderdelen gemaakt moesten worden. Ze fronste haar wenkbrauwen.

“Ik heb hem toch via de veiligste weg gestuurd, ” zei ze, “Niet de snelste weg en ook niet de meest directe, maar als deze weg ook al niet meer veilig is… Maar goed, dat is jullie probleem niet.”

“Waar begint dan die veiligste route?”, vroegen de avonturiers.

“Op het Grote Plein, ” was het antwoord, en ze legde uit hoe ze daar moesten komen.

Daar moesten ze toch nog naartoe. En in het licht van de late namiddagzon togen de vrienden op pad.

 Het Grote Plein.

 Het Grote Plein was inderdaad wat je noemt groot. Aan vijf kanten van het plein stonden grote imposante gebouwen, met tussen elk gebouw een straat. Midden op het plein stond een ruiterstandbeeld van een gekroonde man met een getrokken zwaard. Het was zo te zien de favoriete plek van de plaatselijke duivenbevolking.

Het grootste gebouw aan het plein was duidelijk de Grote Tempel in het westen. Vijf megalomaan grote treden leidden naar een reusachtig voorportaal. Alleen reuzen zouden de vijf treden met gemak kunnen beklimmen. Gelukkig waren er in het midden  ook nog treden op een wat menselijker formaat. Vijf pilaren in de vorm van meer dan manshoge vrouwen, (de Vijf  Dochters van de Grote Godin naar alle waarschijnlijkheid), hielden het voorportaal omhoog. Boven het voorportaal prijkte het gezicht van de Grote Godin op het fronton. Achter het voorportaal stond dan de tempel. Een enorm gebouw met een reusachtige koepel.

Aan de zuidkant van het plein, naast de Grote Tempel, stond een sjiek uitziende taveerne annex herberg. Een uithangbord verklaarde dat dit de Herberg “In den vergulden Haen” was. De clientele was duidelijk een stuk vermogender dan die van de herberg “De Drie Nymfen”, waar het gezelschap tot nu had verbleven.

Daarnaast stond het hoofdkwartier van de Stadswacht. Op zich een mooi oud gebouw maar wel met flink wat achterstallig onderhoud. Een enkel paar wachters in het blauwe tenue met de witte toren van Tuangith erop stonden aan weerszijden van de deur.

Aan de noordkant van het plein, naast de Tempel, stond een gebouw dat ooit in twee stukken was gedeeld.  Een breed stuk en een smal stuk. Het brede stuk was enigszins vervallen en droeg de woorden “Museum van Tuangith” op de gevel. Het smalle stuk was dan weer uitstekend onderhouden en stond vol met de volgende tekst:

 Gebr. Melkor
2e hands
Emporium
In en Verkoop
Allerhande goederen
Altijd de beste prijs
En de beste kwaliteit

En dan nog wat in zeer kleine letters die niet van een afstand gelezen konden worden.

Het laatste gebouw aan het plein was het Gildehuis van de Kooplieden. Afgezien van het feit dat dit gebouw zeer goed was onderhouden was het ook nog bijzonder kitscherig. Het was alsof de architect het ontwerp van het kantoor van de Stadswacht genomen had en die had voorzien van allerlei tierelantijnen. Het resultaat was gewoon teveel van het goede. Overdreven. Volslagen over the top. Een liefhebber van kunst of gewoon iedereen die een beetje smaak had zou dit omschrijven als gewoonweg te veel. En misselijkmakend teveel.

Voor de deuren van het Gildehuis stonden wachters in groene tunieken met daarop vijf munten geborduurd met gouddraad.

De halfling stelde voor om eerst maar eens aan de Stadswacht te gaan melden dat er een gevaarlijke vleesetende slak in het riool zat. Daar moesten ze dringend wat aan doen, want het leverde een gevaar op voor de burgers.

De sergeant die de wacht hield bij de deur was het volledig met hen eens. Hij kon echter niet veel doen voordat de commandant, en het grootste deel van de Stadswacht, terug waren uit de haven.

“Normaal is het de taak van de Koninklijke Elite om monsters op te ruimen,” zei hij nog, “Maar die hebben we al een paar dagen niet gezien.”

Dan was het eindelijk tijd om een bezoek te brengen aan het warenhuis van de gebroeders Melkor. Toen ze dichterbij kwamen konden ze ook eindelijk de tekst op het kleinste plakaat lezen. Het was een vacature waarin avonturiers werden gevraagd. Die moesten zich dan binnen melden bij ene Vittorio Melkor.

Binnen werden ze begroet door een breed glimlachende, gedistingeerd uitziende halfling in een drie delig donkergrijs pak. Hij stelde zich voor als Gregorio Melkor en vroeg hen waarmee hij hen van dienst kon zijn. De reisgenoten legden uit dat ze naar hem waren doorverwezen door de handelaar Wilhelm van Wolfrijk, die hen niets kon vertellen over bepaalde magische voorwerpen die zij in hun bezit hadden.

“Ah!”, sprak de grijsharige halfing, “Dan moet U bij de afdeling Magisch Allerlei zijn. Bij mijn broer Vittorio. Dit is de afdeling Algemene Goederen.”

De halfling bekeek hen nog eens goed. “En herken ik U als diegenen die onze trouwe Freddy hebben gered? Althans een deel van de groep?”

Dat bevestigden de kameraden, waarop de halfling nog breder begon te glimlachen.

“Dan mag ik U deze envelop aanbieden met daarin een tegoedbon voor U allen. Te besteden in onze zaak. Geen tijdslimiet, uiteraard.” Vervolgens wees hij hen de weg naar de trap naar de eerste kelderverdieping waar zijn broer Vittorio hen verder kon helpen.

Daar vonden zij een gesloten deur met daarnaast een magische spiegel. Het gezicht van een halfling die als twee druppels water leek op degene die ze al eerder hadden ontmoet, ( alleen was deze iets minder grijs en droeg hij een donkergroen pak) verscheen in de spiegel.

“Ah! Klanten. Als U even wacht dan open ik de eerste deur en als U dan naar binnen bent gestapt en de eerste deur is achter U gesloten dan open ik de tweede deur. Dit is niet om U te ontgrieven maar om te voorkomen dat er iets, ehm,  ontsnapt.”

Hier konden de helden dan eindelijk een groot aantal dingen verkopen die ze al een tijdje met zich meegezeuld hadden. En informatie inwinnen over andere dingen. Zo bleken de blauwe pilletjes een recente uitvinding te zijn die tijdelijk de intelligentie van diegenen die ze innamen verhoogden. Er waren echter wat, hoe zal ik het zeggen, genante bijwerkingen waar de tovenaars die ze gebruikten niet echt over wilden praten; ze hadden dan de neiging om rood aan te lopen en te gaan stotteren. Verkopen dan maar.

En Lavinia vond een ring die ze kostte wat kost wilde hebben. Nu is onze halfling niet echt ijdel of pronkziek. Haar kleding is eerder praktisch dan mooi. Deze ring zou  haar  echter nog wendbaarder en sneller maken dan ze al was. Maar wat was dat ding duur. Het kostte haar al haar goud, plus het goud dat ze kon krijgen door een aantal van haar eigendommen te verkopen, om het ding aan te schaffen. De ring was nu nog te groot voor haar, maar de halfling verkoper beloofde hem zonder extra kosten kleiner te maken. Morgenavond op te halen.

Maar een aantal voorwerpen gingen de kennis van Vittorio te boven.

Het was goddelijke magie, zo zei hij, die deze voorwerpen hun kracht gaf. En daar had hij geen verstand van. Daarvoor moesten ze bij de Tempel zijn.

“Vroeger…,” zuchtte de halfling verkoper, “Vroeger had ik U kunnen doorverwijzen naar mijn broer Lothario. Maar helaas, die is niet meer.”

“Gecondoleerd,” mompelde Lavinia.

IMG_8961

“Dank U, ” zei Vittorio, “Een betreurenswaardig ongeluk met de kleine, ehm, bugbear. Mijn broer had  een zachtaardig karakter, ziet U. Al van jongs af aan bracht hij allerlei gewonde, zieke wezentjes mee naar huis om te verzorgen. Uit het nest gevallen vogeltjes, jonge katjes, gewonde Grippli. Maar misschien had hij in het geval van de bugbear toch een uitzondering moeten maken. Hoe klein en schattig ze ook mogen zijn als ze net geboren zijn, ze worden toch ook een keer groot.”

Hij slaakte een diepe zucht. “Afijn. In de Tempel moet U vragen naar zuster Clothilde. Als zij het niet weet, weet niemand het.”

De documenten die niemand kon lezen bleken geschreven te zijn in de taal van de draken. Het was een verhaal over de geschiedenis van het Susterwold en een stamboom.

Ze verlieten de winkel met flink wat geld meer op zak, ( behalve Lavinia dan), en wat minder zooi.

Een vriendelijke, doch gehaaste, priesteres verwees hen in de Tempel naar de kamer van zuster Clothilde.

Ragnar en zijn neef schenen haar al te kennen. Zuster Clothilde was een voluptueuze dame met bruin haar en vriendelijke, blauwe ogen die over haar brilletje heen naar de metgezellen keken.

“Hebben de jongens zich een beetje goed gehouden?”, vroeg ze.

“Ja hoor, uitstekend, ” antwoordde Lavinia terwijl ze een hand legde op de schouder van haar nieuwe beste vriend Sigurd.

“Dat is mooi,” zei de zuster, “En het meisje is terecht? Goed zo. Wat kan ik verder voor jullie doen?”

Bij het zien van de stamboom en het verhaal over het Susterwold legde Clothilde uit dat dit van belang kon zijn voor de Stadswacht. Er waren namelijk een aantal cultussen actief die op allerlei manieren een gevaar vormden voor de plaatselijke bevolking. Het leek de reisgenoten beter dat iemand van de Tempel de Stadswacht op de hoogte stelde van de nieuwe informatie. Dat zou beter overkomen. Clothilde nam de verplichting op zich.

Daarna gaf ze hen nog wat informatie over de laarzen van Arvalo de Reus en de sleutelsteen. Een aanbod om het verroeste zwaard beter te onderzoeken sloegen de helden af. Onder geen voorwaarde wilden ze dat de Tempel informatie kreeg over de lokatie van de krijgskas. Die wilden ze immers zelf hebben.

En dan, na een lange vermoeiende dag, was het tijd om hun plekje op de zolder van de Wilde Waterlelie op te zoeken. Behalve dan voor Lavinia, die de uitnodiging van Sigurd de Raaf om een biertje te gaan drinken bij een echt goede en niet al te dure bar, verrassend genoeg aannam.

En de natte voeten dan, hoor ik jullie vragen. Tja, in een riool vol vocht en slijm valt dat een stuk minder op. Maar ongetwijfeld horen jullie er in het volgende avontuur meer over.

Wordt vervolgd…..

Petra Schulein – Coret